Anatomisch Instituut

De halfcirkelvormige uitbouw van het gebouw in het zuidoosten van de Bijlokesite springt onmiddellijk in het oog. De gevel volgt de contouren van het auditorium dat zich binnenin het pand bevindt. Het was oorspronkelijk een anatomisch theater waar toeschouwers vanop de tribune van houten banken de dissecties van menselijke en dierlijke kadavers konden volgen. Het auditorium maakt deel uit van het Anatomisch Instituut dat Adolphe Pauli op het einde van de negentiende eeuw voor de universiteit ontwierp. Tot 1965 volgden studenten er lessen anatomie en kwamen de Gentenaars er griezelen.

Theatrum Anatomicum

Anatomische theaters zijn een van de eerste prestigieuze schouwplaatsen van de wetenschap. Het oudste uit 1594 bevindt zich in de universiteit van Padua, waar in die periode Andreas Vesalius de basis legde voor de menselijke anatomie. Tijdens de eeuw die erop volgt, overstijgen de anatomische theaters en collecties het stadium van de rariteitenkabinetten en krijgen ze een functie binnen onderwijs en onderzoek. Het is de tijd van de Verlichting en de wetenschap maakt zich los van het theologische wereldbeeld en de erfenis van de klassieken. De anatomie is een speerpunt in deze ontwikkeling en de prachtige anatomische atlassen en schilderijen van anatomische lessen wijzen op de stijgende status van het anatomische bedrijf.

Van het Pakhuis naar de Bijloke

Als de Gentse universiteit in 1817 haar deuren opent, kan de medische faculteit voor haar klinisch onderwijs terecht in het Burgerlijk Hospitaal van de Bijloke en voor de theoretische lessen in het Pakhuis op de Korenmarkt. Daar bevindt zich al een rudimentair anatomisch theater met een dissectiezaal en een klein, vochtig en donker kabinet voor de enkele preparaten. De praktijklessen in de anatomie die studenten er bijwonen zijn een uitzondering op het voor de rest zeer theoretische onderwijs aan de universiteit. De anatomische wetenschap is in 1817 al onderverdeeld in de menselijke, pathologische en vergelijkende anatomie die elk onder de bevoegdheid vallen van een andere hoogleraar. Enkele jaren na de oprichting van de universiteit heeft de stad de definitieve lokalen klaar. De lessen van alle faculteiten zijn voortaan geconcentreerd op de site van de Aula, waar stadsarchitect Louis Roelandt het oude jezuïetenklooster heeft omgebouwd. Het anatomische theater verhuist om praktische en hygiënische redenen naar de Bijlokesite, waar Roelandt de middeleeuwse hospitaalkapel verbouwt, een moderne dissectiezaal toevoegt en een nieuw dodenhuisje optrekt. Het is in deze vertrekken dat opeenvolgende professoren vijftig jaar lang de anatomische collectie zullen uitbouwen.

De injectieformule van Adolphe Burggraeve

Een van de meest productieve onder de professoren is Adolphe Burggraeve, een van de eerste drie afgestudeerden van de Gentse universiteit. Hij ontwikkelt in de jaren 1830 een succesvolle injectietechniek, waarbij de preparaten hun kleur en levendigheid decennia lang bewaren. Dat is in de negentiende eeuw niet vanzelfsprekend en het verklaart de terughoudendheid van anatomen om hun formules te delen met andere wetenschappers. Een van de opvolgers van Burggraeve schrijft in 1884 verwonderd over het preparaat van een boreling ‘dons les chairs ont gardé leur teinte rosée d’une manière remarquable’. De haartjes van het kind zijn nog steeds te bewonderen in het Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde. Een ander preparaat van Burggraeve met het hoofd en de hand van een vrouw, was in 2015 te bezichtigen in de tentoonstelling Post Mortem maar ging daarna gezien de ethische gevoeligheid terug in de kast. Deze twee preparaten zijn de enige van de naar schatting 1.200 die Burggraeve vervaardigde en die de twintigste eeuw hebben doorstaan.

Kommer en kwel

De introductie van experimenteel onderzoek en de specialisering van de wetenschappen vanaf de jaren 1860 maken de gebouwen in de Voldersstraat totaal ongeschikt voor de faculteit geneeskunde. De bevoegde medici schrijven in een rapport uit 1873 dat de lessen menselijke histologie worden gegeven op een zolderverdieping zonder voldoende licht en dat er voor de praktijklessen pathologische anatomie gewoonweg geen uitrusting voorzien is. De situatie in het kleine anatomisch theater in de Bijloke is zo mogelijk nog minder benijdenswaardig. Professor Leboucq herinnert zich de sombere en lage dissectiezaal en het auditorium, ‘laissant pénétrer à travers ses vitraux gothiques plus de vent et de pluie que de lumière’. Op initiatief van histoloog Richard Boddaert ijveren de Gentse medici in 1874 voor een nieuw anatomisch theater op het terrein van de Bijloke met aansluitend lokalen voor laboratoria en kabinetten. De wet-Delcour uit 1876, die onder andere het praktijkonderwijs in de faculteit Geneeskunde verplicht maakt, geeft hun plannen een duwtje in de rug en stadsarchitect Adolphe Pauli zet zich aan het tekenen. Dat een anatomisch theater historisch gezien beladen is met prestige en dat er in de buurlanden reeds duchtig in werd geïnvesteerd, zal de geldschieters niet onberoerd hebben gelaten. De andere medische takken hebben minder geluk en zullen nog twee decennia geduld moeten oefenen in de Voldersstraat.

Het Anatomisch Instituut

Het nieuwe Anatomisch Instituut omvat een amfitheater met zesenzestig banken, een inkomhal, een chirurgiezaal, drie grote laboratoria voor de algemene, pathologische en beschrijvende anatomie, werkkamers voor de respectieve hoogleraren, enkele kleinere laboratoria en technische ruimtes. Opmerkelijk is dat al de verschillende ruimtes met elkaar zijn verbonden en deel uitmaken van hetzelfde bouwvolume. Het gebouw wordt opgetrokken in baksteen, wit bepleisterd en verfijnd afgewerkt in neoclassicistische stijl. De stijl is typisch voor de gebouwen op de Bijlokesite die zijn opgetrokken ten behoeve van de universiteit en contrasteert met de neogotische baksteenstructuren van het stedelijk ziekenhuis. Tijdgenoten prijzen het ontwerp van architect Pauli en bij verbouwingen in de negentiende en begin twintigste eeuw zullen het concept en de stijl steeds gerespecteerd worden. Wie zich ook in hun sas voelen met het nieuwe Anatomisch Instituut, zijn de professoren anatomie en histologie. Het gebouw luidt het begin in van de internationaal gereputeerde Gentse Morfologische School.

Het Anatomisch Museum

In 1883 wordt het Anatomisch Instituut verrijkt met een aanpalende museumvleugel, de huidige bibliotheekvleugel. Hector Leboucq verzamelt er de preparaten van zijn voorgangers die her en der verspreid raakten. De meeste exemplaren hebben de jarenlange slechte conserveringsomstandigheden – boven elkaar gestapeld in vochtige lokalen zonder kasten – niet doorstaan. Professor Leboucq voegt aan zijn collectie ook stukken toe die geen educatieve waarde meer hebben maar wel uitzonderlijk zijn vanwege hun ouderdom. Zo zijn er de preparaten op alcohol van professor Burggraeve, de gedroogde schedels van professor Soupart en enkele kostbare stukken die worden toegeschreven aan Frederik Ruytsch, een vermaarde achttiende-eeuwe Leidse anatoom die bekend stond als de ‘doodskunstenaar’. Leboucq bouwt samen met zijn studenten verder aan de anatomische collectie. De menselijke beenderen, spieren en organen worden gebalsemd, gekleurd, opgespoten of gevuld en droog of op sterk water geconserveerd in aangepaste kabinetten. Een van zijn assistenten is Bertha De Vriese, de eerste vrouwelijke arts afgestudeerd in Gent. De resultaten van haar fijne anatomische werk zijn nog steeds te bewonderen op de vakgroep Pathologische Anatomie van de universiteit.

Verhuis

Het Museum wordt net als de dierkundige collectie, de instrumentenkabinetten en de Plantentuin op vraag van de stad opengesteld voor publiek tijdens de Gentse gemeentefeesten. De Gentenaars kunnen van deze griezelattractie genieten tot 1965. Dan verhuizen het Museum en het Anatomisch Instituut naar de nieuwe gebouwen van de faculteit Geneeskunde in de Ledeganckstraat en aan de Sterre. De architecturale en historische waarde van het auditorium van Pauli worden eind twintigste eeuw erkend en opgenomen in het reconversieproject van de Bijlokesite. Vandaag is het gerestaureerde auditorium een van de concertzalen van het Bijloke Muziekcentrum en zijn er in de voormalige laboratoria en kabinetten kantoren ondergebracht. Ook in de oude ziekenhuisvleugel aan de Pasteurlaan bevindt zich nog een oud anatomisch theater dat nu aan het KASK toebehoord en de naam Cirque krijgt.

Valorisatie

De stukken van het Museum voor Anatomie die de tand des tijds overleefden werden opgenomen in de anatomische collectie van de huidige vakgroep Medische basiswetenschappen in het UZ. Het betreft onder meer wassen modellen. In het Museum voor de Geschiedenis van de Geneeskunde in het Pand zijn eveneens nog enkele preparaten te bezichtigen. De historische collecties worden in de medische faculteiten nog dagelijks aangevuld met nieuwe preparaten van mensen en dieren die worden gebruik voor onderwijs. Tegenwoordig springt men omwille van ethische redenen omzichtiger om met de presentatie van menselijke resten, bijvoorbeeld als de herkomst en dus de toestemming van de betreffende persoon of diens nabestaanden niet duidelijk is. Anatomische collecties blijven hoe dan ook het publiek fascineren. De Gentse collecties werden naar aanleiding van de Post Mortem-tentoonstelling over anatomie tussen kunst en wetenschap (najaar 2015) tentoongesteld in het Rommelaere Instituut, in de lokalen en zalen die tot kort daarvoor gebruikt werden door de vakgroep Gerechtelijke Geneeskunde.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis UGent
11 december 2015
>>
Lees het volgende artikel in het dossier Post Mortem: Medisch kunstenares Pascale Pollier

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Anatomisch Instituut". UGentMemorie. Laatst gewijzigd 11.12.2015. www.ugentmemorie.be/artikel/anatomisch-instituut.

Bibliografie

Interview met prof. dr. Marc Espeel door Lena Maes (16 november 2015).

S.n. Gent: 300 jaar geneeskunde. Gent: RUG Faculteit Geneeskunde, 1990.

S.n. Wandelgids Post Mortem. Vesalius tussen kunst en wetenschap (2015).

De Schaepdryver, André (red.). Museum voor geschiedenis der geneeskunde van de Stichting Jan Palfyn, gids. Gent: Stichting Jan Palfijn, 1995.

Everaert, Guido, e.a. "Het Anatomisch Instituut in het Bijlokehospitaal te Gent." Stadsarcheologie, 11 (1997): 4-21.

Fautrez, J. "Laboratorium voor menselijke en vergelijkende ontleedkunde." In Fakulteit der geneeskunde. Rijksuniversiteit te Gent. Liber memorialis: 1930-1980, uitgegeven door André De Schaepdryver, 35-40. Gent: RUG, 1980.

Goossens, Noël. De Gentse Morfologenschool. Gent: RUG Archief, 1992.

Langendries, Elienne en Anne-Marie Van der Meersch. Het Rommelaere complex: onderdeel van het gebouwenmasterplan voor de Gentse universiteit op het einde van de 19de eeuw. Gent: RUG Archief, 1999, (Uit het verleden van de R.U.G., 40).

Leboucq, Hector. Le musée anatomique de l'université de Gand. Gent: Vanderhaeghen, 1884.

Maréchal, Griet en André Capiteyn. 1350 jaar Gent, de Gentenaars en hun zieken. Zwolle: Waanders, 1998 (Waar is de tijd, Gent 7).

Monquil, Tiny. "Medische collecties in vogelvlucht", Medisch Erfgoed. www.medischerfgoed.nl (geraadpleegd 24.08.2010).

Deel deze pagina: