Gerechtelijk geneesheer Michel Piette

1.

“Als assistent bij professor Tomas kwam ik in contact met zijn anatomische collectie in de kelder van het Rommelaere Instituut. Een paar van de preparaten bestaan nog steeds. De collectie werd niet opengesteld voor het publiek, want naast een reeks placenta’s was er ook een collectie hymenpreparaten, die werden verzameld in de studie naar verkrachtingen en maagden. Ik vond het toen als jonge man erg akelig dat er één deel van een vrouw als preparaat in een pot bewaard werd. Professor Timperman heeft de goede beslissing genomen om deze collectie te vernietigen.”

2.

“Mijn gevoelens zijn nu nog meer uitgesproken dan toen ik een jonge assistent was. Ik keek enkel met een wetenschappelijke blik naar de preparaten. Maar doorheen de jaren dacht ik meer aan de geschiedenis en het menselijk leed wanneer ik naar een schedel keek. Ik zag niet alleen het wetenschappelijke, maar ook de mens die er niet meer was. Ik vind het oké dat de preparaten gebruikt worden voor didactische en wetenschappelijke doeleinden, maar ik heb wel problemen met het esthetische aspect. Voor mij maakt het bovendien ook een groot verschil wat een preparaat precies voorstelt. Iedereen heeft dezelfde organen, waardoor het moeilijk is om er een naam of geschiedenis aan te koppelen. Een hand, voet of gelaat daarentegen spreekt en toont veel meer het subject.”

3.

“Voor ik werkte in het Rommelaere Instituut had ik moeite met het dode lichaam. Toen ik het dode lichaam begon te zien als een levensfase, ging dat gevoel stilaan weg. Ik denk dat het taboe rond het dode lichaam kan doorbroken worden door het dode lichaam te tonen. Meer mensen kiezen er opnieuw voor om thuis te sterven of opgebaard te worden. De familie heeft dan meer tijd om de dood te accepteren. Het gaat dus niet per se om het tonen van lijken. Het is eerder een progressieve ingesteldheid en een maatschappelijke omwenteling.”


  © Benn Deceuninck

>>
Lees het volgende artikel in het dossier Post Mortem: Gerechtelijke geneeskunde
Deel deze pagina: