1920 Hoger Landbouwonderwijs

De Vlaamse "Landbouwhoogeschool van den Staat" wordt bij koninklijk besluit van 26 mei 1920 opgericht. Het dient als Nederlandstalige tegenhanger van de rijkslandbouwschool van Gembloux. Daarmee wordt aan een jarenlange eis van de Vlaamse beweging, Nederlandstalige hoger onderwijs als economische motor voor het agrarische Vlaanderen, gedeeltelijk tegemoet gekomen. In tegenstelling tot de grimmige trijd voor de vernederlandsing van de universiteit die pas in 1930 zal worden beslist, is er na de oorlog weinig parlementaire weerstand tegen Nederlandstalig landbouwonderwijs.

Een korps van kolonialen

De Landbouwhogeschool valt tot 1933 onder de bevoegdheid van het Ministerie van Landbouw en maakt bij haar oprichting formeel geen deel uit van de Gentse universiteit. Het heeft een eigen beheerder-hoogleraar, Cyrille Van Damme (1873-1932), rector, Frans Smeyers (1867-1964), en academieraad samengesteld uit alle hoogleraren en docenten. Wel bevinden zich onder het 12-koppig professorenkorps vier universiteitsprofessoren (Victor Willem, Alfred Schoep, Camille De Bruyne en Oscar Steels) en twee jonge professoren die later overstappen en faam maken aan de universiteit, chemicus A.J.J. Van de Velde en jurist Jules Storme. Zeven van de twaalf professoren hebben reeds een carrière in de koloniale administratie. De Landbouwhogeschool zou zich dan ook een belangrijke rol toedienen in de opleiding van koloniale functionarissen en ingenieurs in Congo.

Boerenkot

De Landbouwhogeschool betrekt haar eigen gebouwen in de Sint-Amandstraat en Melle. Enkel in de beginjaren wordt ook beroep gedaan op laboratoria en de plantentuin van de universiteit. Studenten - het zijn er 22 het eerste academiejaar - kunnen aan de Landbouwhogeschool studeren voor ingenieur-argonoom, koloniaal ingenieur-agronoom, ingenieur van tuinbouw, ingenieur van waters en bossen, ingenieur van landbouwgenie, ingenieur der landbouwnijverheden of landbouwscheikundig ingenieur.

Na een wat wankele start, groeit het studentenaantal van de Landbouwhogeschool in de jaren 1930 in die mate dat moet worden uitgekeken naar een nieuw gebouw. De keuze valt op het terrein van het Rasphuis, de oude gevangenis van Gent aan de Coupure Links dat in 1936 wordt gesloopt. De Rijkslandbouwhogeschool heeft geen geluk met haar nieuwe gebouw. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het pas voltooide complex opgeëist door het Duitse en daarna het Canadese leger om dienst te doen als hospitaal. Pas in 1946 kan de Landbouwhogeschool de gebouwen, ontworpen door August Poppe en Georges Collin, betrekken. Twee jaar later wordt op initiatief van entomoloog (insectkundige) Jozef Van den Brande er het Internationaal Symposium over Fytofarmacie en Fytiatrie gehouden. Dit jaarlijkse Gentse symposium zal uitgroeien tot een voor West-Europa unieke wetenschappelijke manifestatie waar de meest recente wetenschappelijke bevindingen op het vlak van de gewasbescherming worden besproken.

Het hoger landbouwonderwijs krijgt in 1947 een academisch statuut. Twee van de afstudeerdiploma's landbouwingenieur worden 'geupgrade' van wetenschappelijke naar wettelijke graad wat een belangrijke erkenning en aantrekkingskracht oplevert. Vanaf dat academiejaar breidt ook de opleiding tot koloniaal landbouwingenieur of koloniaal bosbouwkundig ingenieur uit: kandidaat landbouwkundigen kunnen een driejarige specialisatie volgen die hen voorbereidt op een carrière in de kolonie. Een aanzienlijke stijging van het aantal studenten volgt. Niettemin taant in de tweede helft van de jaren 1950 de interesse van studenten in een koloniale carrière en kent de specialisatie tropische landbouw nog erg weinig inschrijvingen. In 1969 zal de Rijkslandbouwhogeschool als faculteit worden aangehecht aan de Gentse universiteit.

Elienne Langedries, Universiteitsarchief Gent
Fien Danniau, vakgroep Geschiedenis

13 januari 2017

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Langendries, Elienne en Fien Danniau. "1920 Hoger Landbouwonderwijs". UGentMemorie. , Fien en Elienne Langendries. Laatst gewijzigd 05.04.2017. www.ugentmemorie.be/gebeurtenis/1920-hoger-landbouwonderwijs.

Bibliografie

Langendries Elienne en Simon-Vandermeersch Anne-Marie. "50 jaar Rijkslandbouwhogeschool te Gent (1920-1969)". In: Vandamme, Erick (red.). Faculteit Landbouwkundige en Toegepaste Biologische Wetenschappen. Jubileumboek 1920-1995. Gent: Snoeck-Ducaju & Zoon, 1995. pp. 13-83.

De Wilde, Lode. “Enquête over het teruglopen van de inschrijvingen in de Belgische universitaire landbouwscholen.” In Mededelingen van de Landbouwhogeschool en de opzoekingsstations van de staat te Gent XXVI, nr. 2, 1961: 881-951.

Historiek van de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen

Deel deze pagina: 

Herinneringen

Een oneindig paternalistisch kolonialisme?

"Van een witte vlek op de wereldkaart is Kongo, dank zij de Belgische kolonisatie, een voorspoedig welvarend land geworden, wiens bevolking, eens primitief en de prooi van slavenhandel, ziekten en hongersnood, thans een menswaardig bestaan kent en jaar voor jaar een hogere welvaart verovert. Deze gunstige evolutie is grotendeels te danken aan de ontwikkeling van de inlandse landbouw, die uitgegroeid is tot een stevige basis van de landsekonomie. [...] Kongo zal nog jarenlang behoefte hebben aan nieuwe kapitalen en specialisten om zijn ekonomie verder uit te bouwen. België is bereid beide ter beschikking te stellen."

Landbouwkundige Frans Pauwels, onderzoeker onder de vleugels van Lode De Wilde, bejubelt de verwezenlijkingen van de Belgische koloniale landbouw en voorziet in 1958, wanneer de onafhankelijkheid van Congo nog niets concreets lijkt, een landurige verdere Belgische aanwezigheid in Congo.

Uit: Pauwels, Frans. "De Belgische bijdrage in Afrika." Mededelingen van de landbouwhogeschool en de opzoekingsstations van de staat te Gent XXIII, nr. 2 (1958): 437-438.