Home > Artikel > Uitvalsbasis Voldersstraat

Uitvalsbasis Voldersstraat

De Gentse universiteit is geen campusuniversiteit. Ze ligt over tientallen adressen verspreid in de stad en haar buurgemeenten, waar ze mee vergroeid is. Het huidige gebouwenbestand leest als een versteende getuigenis van bijna tweehonderd jaar wetenschaps-, pedagogische en ideologische geschiedenis. Aan de bron van de universitaire diaspora ligt de compacte site in de Voldersstraat. Dit terrein van het voormalige jezuïetenklooster laat het stadsbestuur in 1816 in gereedheid brengen voor de komst van de nieuwe rijksuniversiteit. Naarmate de universiteit groeit, zich specialiseert en verwetenschappelijkt verlaten de faculteiten een voor een deze site in het stadscentrum. Enkel de Rechtsfaculteit en haar dochterfaculteit Politieke en Sociale Wetenschappen huizen er vandaag nog.

Spreiding door hergebruik (1817-1823)

Nadat de jezuïeten tijdens de politieke perikelen van 1773 uit hun school en klooster zijn verdreven, worden de gebouwen op de site in het huizenblok tussen de Voldersstraat, de Korte Meer en de Lange Meer – de huidige Universiteitsstraat – ingepalmd door het gerechtshof, het leger, een vrijmetselaarsloge, een jacobijnenclub en het Koninklijk college. In 1816 krijgt de locatie een nieuwe bestemming als site voor de nieuwe rijksuniversiteit. Zoals bij wet is vastgelegd moet het stadsbestuur voorzien in de gebouwen van de universiteit en in afwachting van de bouw- en verbouwingswerken, krijgt zij onderdak in verschillende bestaande gebouwen verspreid over de stad. De faculteit Geneeskunde trekt in het Pakhuis op de Korenmarkt en heeft enkele lokalen ter beschikking in het Bijlokehospitaal; de lessen van de faculteit Rechten vinden plaats in de Baudeloobibliotheek en de faculteiten Wetenschappen en Letteren en Wijsbegeerte hebben een voorlopige verblijfplaats in de Sint-Elooiskapel in de Kortedagsteeg.

Centralisatie in het hart van de stad (1823-1830)

Stadsarchitect Louis Roelandt is in 1826 klaar met de bouw van het ‘Paleis van de universiteit’ en met de leslokalen van de universiteit. Die bracht hij onder in een vierhoekig bepleisterd neoklassiek complex rondom een binnentuin, waar hij ook een vleugel van het voormalige jezuïetenklooster in integreerde. Alle faculteiten van de universiteit kunnen nu hun intrek nemen in de Voldersstraat. Enkel de universitaire plantentuin en de bibliotheek blijven gevestigd aan Baudeloo bij Sint-Jacobs en ook in het Bijlokehospitaal blijven enkele ruimtes voorzien voor het praktisch onderwijs voor de geneeskundestudenten. De universiteit zal deze site in de Voldersstraat nooit meer verlaten en stelselmatig de vrijgekomen huizen en gronden in het huizenblok doen aansluiten op haar terrein. Het stadsbestuur maakt van de universiteitssite het hart van de stadsvernieuwing en de buurt en straten rondom worden in de loop van de volgende decennia opgeknapt.

Exploiteren van nieuwe terreinen (1830-1914)

De toenemende specialisering van de wetenschappen, de invoering van het praktisch onderwijs en de stijging van het aantal studenten zorgen ervoor dat de universiteit in de negentiende eeuw moet uitbreiden buiten haar site in de Voldersstraat. Deze evoluties zijn vooral voelbaar in de faculteit Wetenschappen en de faculteit Geneeskunde en zij zijn dan ook de eerste om het stadscentrum te verlaten. In het noorden van de stad richt Joseph Guislain in 1851 zijn Ziekenhuis voor Geesteszieken op en op het einde van de negentiende eeuw ontwerpt Louis Cloquet verschillende Klinische Instituten en polyklinieken in neogotische stijl naast het Bijlokehospitaal. Omdat de rook van de omliggende fabrieken de Baudelootuin vervuilt en het burgerlijke publiek er weg blijft, verhuist de Plantentuin in 1903 naar haar huidige locatie aan het Citadelpark. Ondertussen hebben de Technische Scholen, waar studenten worden opgeleid tot ingenieurs, zich aangesloten bij de universiteit en delen ze infrastructuur en docenten met de faculteit Wetenschappen. Na jaren van wanhoopskreten van de universiteit over het plaatsgebrek in de Voldersstraat springt de Belgische staat financieel bij voor de bouw van een prestigieus ‘Instituut van de Wetenschappen’ met moderne uitgeruste laboratoria, auditoria, studiezalen en tekenklassen. In 1890 opent deze mastodont, het huidige Plateaugebouw, als eerste universiteitsgebouw op de Blandijnberg haar deuren.

Uitbreiding van de nieuwe sites (1918-1940)

Na de Eerste Wereldoorlog en vooral in de jaren 1930 kent het gebouwenbestand van de universiteit opnieuw een uitbreidingsgolf. Die aangroei is nodig omdat het curriculum van de universiteit uitbreidt en er binnen de universiteit nieuwe scholen en instituten worden opgericht die elk een eigen onderkomen zoeken. Met uitzondering van de nieuw opgerichte Veeartsenijschool die het terrein van het voormalige Casino aan de Coupure exploiteert, opteert men voor een vergroting en groepering van de bestaande sites van de Blandijnberg, de Voldersstraat en de Bijloke. Cruciaal voor de uitbouw van de universiteit is de nieuwe wet op het Hoger Onderwijs van 1928, die de stad ontslaat als bouwheer. De schaal van de twintigste-eeuwse universiteit is niet meer te vergelijken met die van 1817 en het bereik en belang van de universiteit overstijgen duidelijk het stedelijk niveau. Voortaan treedt het ministerie van Kunsten en Wetenschappen op als bouwheer. Dat heeft als voordeel dat er meer middelen zijn om gebouwen op te trekken en dat er in samenspraak met de academische overheid een bouwbeleid op lange termijn kan worden geformuleerd. De keerzijde is wel dat de bouwprocedure veel omslachtiger en dus tijdrovender wordt en dat de universiteit een deel van haar autonomie verliest.

De universiteit neemt de Blandijnberg in (1933-1954)

De Boekentoren is het meest opvallende bouwproject van de universiteit tijdens het interbellum. Vlakbij verrijst het Technicum, waarin de practicumzalen van de Technische Scholen, het Laboratorium voor Toegepaste Mechanica en het Laboratorium voor Gewapend Beton, het fameuze ‘labo Magnel’, onderdak vinden. Dat de Blandijnberg beschikbaar is voor zulke omvangrijke universiteitsgebouwen heeft alles te maken met de verschuiving van de Gentse industrie van de binnenstad naar de noordelijke stadsrand. De fabrieken en arbeiderswoningen die de Blandijnberg domineerden in de negentiende eeuw worden nu geleidelijk aan vervangen door universiteitsgebouwen. Met de verhuizing van de bibliotheek van Baudeloo naar de Boekentoren tijdens de Tweede Wereldoorlog bezegelt de universiteit haar verschuiving van het stadscentrum naar de Blandijnberg. De Voldersstraat ligt nu niet meer centraal in de universiteit maar aan de rand. De Sint-Pietersnieuwstraat is de verbindingsas tussen Blandijnberg en het universiteitscomplex in de Voldersstraat en zal in de tweede helft van de twintigste eeuw verder uitgebouwd worden als universiteitsas.

Campussen in het zuiden van de stad (1945-1975)

De universiteit kent in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een immense schaalvergroting. Het studentenaantal stijgt van 2.200 in 1945 tot 12.200 in 1970 en het gebouwenbestand verdubbelt. Om deze studentenstroom op te vangen zijn niet alleen grotere auditoria, leslokalen en laboratoria nodig, de universiteit moet de stad ook bijspringen in woon- en eetvoorzieningen. Snelheid en kostprijs primeren boven esthetiek en de gebouwen die in deze periode worden opgetrokken stralen een strenge zakelijkheid uit. In het stadscentrum breidt de Voldersstraat uit met de Film Plateau en koopt de universiteit het oude dominicanenklooster ‘Het Pand’. De gebouwen in de Sint-Pietersnieuwstraat worden aangevuld met het oude rectoraat, studentenhuis ‘De Brug’, een gebouw voor de faculteit Letteren en Wijsbegeerte en enkele herenhuizen op het Sint-Pietersplein. In de periferie worden in de Overpoortstraat een studentenrestaurant en verschillende Homes opgetrokken en in de Ledeganck wordt het Botanisch Instituut en een deel van de Plantentuin opgeofferd voor een nieuwbouw voor de kandidaturen van de Wetenschappen. Meest typerend voor deze periode is het ontstaan van enkele grote, geïsoleerde campussen in het zuiden van de stad. Daar heeft de stad braakliggende terreinen ter beschikking bij de nieuw aangelegde E40 en E17. De Sterre en het Academisch Ziekenhuis met het aanpalende Instituut voor Nucleaire Wetenschappen zijn de grootste en de oudste sites. Nog zuidelijker biedt de campus Ardoyen in Zwijnaarde sinds 1972 de nodige uitbreidingsruimte voor de laboratoria van de faculteit Toegepaste Wetenschappen. In Merelbeke vindt in 1965 de faculteit Dierengeneeskunde onderdak en in Afsnee en Melle worden proefhoeves opgetrokken.

Inbreiding van de sites (1975-1992)

In de jaren 1970 stabiliseert het studentenaantal en enkele jaren later zal ook de bouwactiviteit nagenoeg stilvallen. Het UZ wordt uitgebreid met gebouwen voor de faculteit Farmaceutische Wetenschappen. Aan de nieuw gegraven Watersportbaan en op een steenworp van de nieuwe faculteit Psychologie en Pedagogie bouwt de universiteit haar sportcomplex. In de Sint-Pietersnieuwstraat krijgt het rectoraat een extra vleugel en in het gebouw Hoveniersberg neemt de faculteit Economie in 1978 haar intrek. In de Voldersstraat blijft na de uittocht van de jaren 1960 en 1970 enkel nog de faculteit Rechtsgeleerdheid over (de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen zal zich pas in 1992 afsplitsen). Ondertussen slaat de economische crisis toe en de universiteit wordt geconfronteerd met allerlei besparingsmaatregelen. Voor de dienst Gebouwen en Onderhoud start een periode van ‘desaffektatie’, een ambtenarenterm voor leegmaken en verkopen. Nu alle faculteiten min of meer een eigen en vaak nieuw onderkomen hebben gevonden, moet de universiteit verschillende panden die het her en der verwierf en al dan niet inrichtte als tijdelijke onderkomens, van de hand doen. Hoewel er nauwelijks gebouwen bijkomen, is er in deze periode toch veel bouwbedrijvigheid omdat verschillende panden verbouwd, heringericht en hersteld worden.

Architecturale ambitie 1992-2010

Sinds de jaren 1990 worden universiteit en stad geconfronteerd met een tweede exponentiële stijging van het studentenaantal en wordt er opnieuw ijverig gebouwd en verbouwd. In 1992 wordt de universiteit haar eigen bouwheer. De overheid voorziet slechts dertig procent van de bouw- en renovatiebudgetten. Deze autonomie vertaalt zich in een reeks prestigieuze gebouwen die architecturaal duidelijk breken met de utilitaire zakelijkheid van de jaren 1970. Een nieuw fenomeen is dat de universiteit voor de toekenning van het bouwproject een prijsvraag organiseert voor architectenbureaus. Sinds 2000 heeft de universiteit haar patrimonium uitgebreid met Home Bertha De Vriese, studentenhuis De Therminal, een nieuwbouw voor de Faculteit Pedagogische Wetenschappen op de Dunantlaan, een nieuwbouw voor de faculteit Economie naast de Sint-Pieterskerk en het UFO met zijn mega-auditorium in de Sint-Pietersnieuwstraat. De laatste aanwinst van de universiteit zijn de nieuwe Homes op de Kantienberg. In de Voldersstraat is de voormalige Emile Braunschool na jarenlange verminking en verwaarlozing gerestaureerd om onderdak te bieden aan de Rechtsfaculteit. Op enkele gebouwen na, waaronder boekhandel De Sleghte, beslaat deze site nu het hele huizenblok tussen de Korte Meer, Universiteitsstraat en Voldersstraat.

De cirkel is rond

Dit overzicht van de geografische spreiding van de universiteit over Gent toont aan dat de verschillende bloeiperiodes van de universiteit zich telkens ruimtelijk vertalen. De bouwactiviteiten van de universiteit concentreren zich het laatste decennium opnieuw in het centrum van de stad en ook dit wijst op een ideologische kentering. Universiteit en stadsbestuur kiezen ervoor om, in tegenstelling tot de jaren 1960 en 1970, de universiteit en de studenten actief in het stadsleven te betrekken ook al vraagt dit van beide een weldoordacht mobiliteits-, huisvestings-, cultureel en sociaal beleid. Verschillende bestaande sites worden met de nieuwe gebouwen of verbouwingen ‘vervolledigd’. De focus ligt op de site van de Sint-Pietersnieuwstraat, de verbindingsas tussen de ‘oude universiteit’ in de Voldersstraat en de zuidelijke campussen. Het is niet verwonderlijk dat op het einde van deze evolutie de ‘boekenfaculteiten’ zich in het stadscentrum bevinden terwijl de faculteiten Geneeskunde, Wetenschappen en Ingenieurswetenschappen naar de zuidelijke stadsrand verschuiven. De eerste hebben meer ‘cultureel’ voordeel bij een inplanting in de stad en kunnen door digitalisering veel ruimte besparen; voor de tweede primeert ruimte en bereikbaarheid.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis
20 augustus 2010

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Uitvalsbasis Voldersstraat". UGentMemorie. Laatst gewijzigd 01.09.2015. www.ugentmemorie.be/artikel/uitvalsbasis-voldersstraat.

Literatuur

Bekijk deze tijdlijn in groter formaat.

 

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten