Sociale afkomst professoren UGent 1817-1940

Bekijk de grafiek full screen
 

 

Aan de UGent werken evenveel katholieke als vrijzinnige professoren

Om te weten of een professor van katholieke of liberale/vrijzinnige huize was, een stempel die men in het verzuilde België tot diep in de 20ste eeuw onvermijdelijk had, gaan we af op de middelbare schoolkeuze. Vanaf 1850 was het middelbaar onderwijs met humaniora-afdelingen, een voorwaarde voor een universitaire opleiding, verdeeld in een katholiek onderwijsnet van colleges en een officieel net met tien athenea verspreid over de Belgische steden. Van de 352 Belgische professoren tussen 1817 en 1940 waarvoor de gegevens zijn gevonden, zijn er 170 geschoold in het officieel onderwijs en 179 in het vrije onderwijs. Het Gentse professorenkorps was gemiddeld gesproken alvast pluralistisch samengesteld. Dat lijkt evenwichtig maar gezien de Belgische samenleving uitgesproken katholiek was, is er niet echt sprake van een representatieve verhouding. De situatie is alleszins niet toevallig: de verhoudingen werden zowel door de katholieke en liberale netwerken in de universiteit zelf als door de opeenvolgende regeringen die de professoren benoemden, nauwlettend in de gaten gehouden. Wat niet betekent dat iedereen naar een gelijke verdeling streefde...

Aan de faculteiten zaten niet perse evenveel katholieken als vrijzinnigen

De UGent was in zijn totaliteit dan wel pluralistisch, het evenwicht binnen de faculteiten was soms ver te zoeken. De faculteiten Letteren en Wijsbegeerte, Rechtsgeleerdheid en Wetenschappen waren traditioneel vrijzinnige/liberale faculteiten. Aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte werden in de periode tot 1890 19 vrijzinnigen aangesteld tegenover 9 katholieken. In de periode 1890-1940 benoemden de opeenvolgende katholieke en rooms-blauwe regeringen evenveel katholieken als vrijzinnigen. Aan de rechtsfaculteit was de situatie tot 1890 gelijkaardig met 15 vrijzinnige en 7 katholieke benoemingen. De faculteit werd het toneel van een aantal levensbeschouwelijke rellen in de jaren 1850 en 1860 en de katholieke regeringen rekenden vanaf 1890 af met het vrijzinnig profiel door in de periode 1890-1914 10 katholieken te benoemen tegenover 1 vrijzinnige. Pas tijdens het interbellum bereikte men een status quo.
De faculteit Wetenschappen is de enige waar de twee/derde meerderheid voor de vrijzinnigen voor de hele bestudeerde periode 1817-1940 constant blijft. Dat de katholieke regeringen hier minder de drang voelden in te grijpen heeft allicht te maken met de aard van de exacte wetenschappen die nu eenmaal minder direct maatschappij-betrokken zijn. Hoewel er een aantal opvallende en maatschappelijk geëngageerde figuren waren zoals August Wagener en Jules Mac Leod, begaven de professoren zich minder op de politieke scène dan hun collega’s van de letteren en de rechten. Ook de meer internationale samenstelling van het korps zal een rol gespeeld hebben in de perceptie van de faculteit.
De faculteit Geneeskunde heeft als enige van de vier oorspronkelijke faculteiten een uitgesproken katholiek profiel. De meerderheid van 70% die de katholieke professoren in de lange negentiende eeuw hebben, wordt pas tijdens het interbellum wat gecorrigeerd met 14 vrijzinnige tegenover 17 katholieke benoemingen.

Sociale mobiliteit via onderwijs

Afgaande op de beroepen van de vaders genoemd in de geboorteakten groeiden de meeste Belgische professoren benoemd tussen 1817 en 1940 waarvoor we de gegevens konden achterhalen (315), op in gezinnen van zelfstandigen/bedrijfsleiders  (40%) en hogere ambtenaren (25%). Slechts 22 van de 315 professoren zijn de zoon van een iemand in loondienst en nog eens 25 van een lagere ambtenaar. Verder valt op dat er evenveel (23) boerenzonen als zonen van artsen professor zijn geworden. 14 professoren traden in de voetsporen van hun vader, wat gezien het lage aantal professoren in de beginperiode, toch significant is. Omdat er geen gelijkaardige gegevens beschikbaar zijn voor de studentenbevolking is het moeilijk inschatten of deze verhoudingen die van de studentenpopulatie weerspiegelen, of dat er wel degelijk sociale groepen zijn die meer kans maakten op, of geïnteresseerd waren in een academische carrière. In ieder geval tonen de cijfers aan dat het professoraat niet strikt voorbehouden was voor mannen afkomstig uit burgerlijke milieus. Voorts valt de correlatie op tussen de beroepsgroep van de vader en de keuze voor het middelbaar onderwijs: zonen van geneesheren (73%) en landbouwers (82%) liepen bijvoorbeeld vaker school aan de katholieke colleges. De onderwijzerszonen belandden in het officieel onderwijs en groeiden op in de steden waar hun vader atheneumleraar was.

Rekrutering uit eigen rangen

Circa 62% van de 411 UGent-professoren aangesteld tussen 1835 en 1940 is een alumnus van de universiteit. 14% studeerde aan de KULeuven, 9% aan de ULiège, 5% aan de ULBruxelles en 10% in het buitenland. Dat het aantal Gentse alumni aan de faculteit Wetenschappen oploopt tot 72% van het totale korps, is te verklaren door de ingenieursopleiding. Tot de hervorming van 1890 bezit de Gentse universiteit immers een monopolie op de opleiding Bruggen en Wegen, terwijl Luik tot dan de mijnbouwkunde voor haar rekening neemt. Dat de faculteit Geneeskunde zo expliciet rekruteert uit eigen rangen (80%!) is niet te verklaren door het studieaanbod gezien alle universiteiten een medische opleiding aanbieden en er van specialisering nog maar weinig sprake is. Allicht zijn lokale verankering in de Gentse ziekenhuizen en praktijken en de taal hier de belangrijkste verklaringen: de professoren van de faculteit Geneeskunde komen (als enigen) via hun werk in de Bijloke en privépraktijk dagelijks in contact met de Gentse bevolking en moeten de facto Nederlands, of toch het Gentse dialect, spreken. De hypothese wordt bevestigd door de herkomst van de professoren: 55% is afkomstig uit Oost-Vlaanderen, 14% uit West-Vlaanderen en slechts een handvol uit de Franstalige provincies. De faculteit Letteren en Wijsbegeerte vormt de uitzondering op de Gentse dominantie in de faculteiten. Gentse alumni maken slechts 40% uit van het korps, die van Leuven en Luik respectievelijk 27% en 18%.

Het record staat op 63 dienstjaren...

In 1817 kan Willem I de piepjonge maar beloftevolle jurist Jean Jacques Haus (1796-1881) rekruteren voor de UGent. De Duitse Haus is pas 21 bij zijn benoeming. Anders dan de meeste buitenlandse professoren, blijft hij ook na de Belgische omwenteling in Gent. Hij gaat pas op in 1880, op zijn 84ste, met emeritaat. Gelukkig was hij ook was hij niet zomaar een oude man verknocht aan de faculteit, maar als auteur van het Belgische strafrecht ook een van de belangrijkste juristen van het land. De oudste aanstelling is allicht nog bekender: Henry van de Velde (1863-1957) was 62 bij zijn benoeming aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde.

Fien Danniau en Kristof Loockx
Vakgroep Geschiedenis UGent
14 maart 2016

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien en Kristof Loockx. “Sociologie van de professoren 1817-1940.’ UGentMemorie. Laatst gewijzigd 14.03.2016. www.ugentmemorie.be/artikel/sociale-afkomst-professoren-ugent-1817-1940.

Methodologie en bronnen

Het onderzoek naar de sociale afkomst gebeurde op basis van het beroep van de vader zoals vermeld in de geboorteaktes van de professoren. Omdat de akten van Burgerlijke Stand pas vrij consulteerbaar zijn na 100 jaar beperkt het onderzoek zich naar de Belgische professoren benoemd tussen 1817 en 1940, exclusief de Eerste Wereldoorlog (n=315, 79% van het totale korps). Voor dezelfde groep werd de middelbare schoolkeuze opgezocht in biografische literatuur. Het sociaal stratificatiemodel is gebaseerd op het M-96 model van Kees Mandemakers uit 'Negen classificaties voor 19e en 20e eeuwse beroepstitels.', gepubliceerd in IISG research paper, 1995.
Het onderzoek naar de universitaire studies gebeurde voor de professoren benoemd tussen 1835 en 1940 (n=385, 93% van het totale korps). Indien een persoon aan meerdere universiteiten een diploma behaalde, werd die universiteit weerhouden die het diploma uitreikte dat het nauwste aansluit bij de opdracht aan de UGent.
De grafiek met de leeftijden werd gegenereerd op basis van de biografische en loopbaangegevens voor de professoren benoemd tussen 1817 en 1960, exclusief de Eerste Wereldoorlog (n=640, 100% van het totale korps).
Aan de professoren die verbonden waren aan meerdere faculteiten, werd de faculteit toegewezen van de hoofdopdracht. Gezien de dateringen beperken de grafieken zich tot de faculteiten Letteren en Wijsbegeerte (inclusief het Hoger Instituut voor Opvoedkunde, 1928), Rechtsgeleerdheid (inclusief de Hogere Handelsschool, 1908), Wetenschappen (inclusief de Technische Scholen, 1837) en Geneeskunde.
Alle onderzoeksdata werden opgenomen in www.UGentMemorialis.be.

Literatuur

Deel deze pagina: