Publiek-private samenwerking

Vandaag is meer dan een vierde van de financiële middelen van de Gentse universiteit afkomstig uit de privésector. Bedrijven investeren in onderzoek omdat ze hopen dat het op korte of middellange termijn tot een nieuwe toepassing zal leiden. De universiteit kan de middelen goed gebruiken om laboratoria uit te rusten, fundamenteel en toegepast onderzoek te financieren en wetenschappers aan het werk te houden. De samenwerking tussen universiteit en bedrijven is niet nieuw maar is de voorbije jaren uitgebreider, diffuser en hartelijker geworden. Alle partners lijken hun plaats gevonden te hebben in de kenniseconomie.

De samenwerking is niet nieuw

Het is traditioneel de faculteit Ingenieurswetenschappen die er de meest innige relatie met de bedrijfswereld op na houdt. In de negentiende-eeuwse Speciale Scholen zijn de hoogleraren dikwijls afkomstig uit industriële families of combineren ze hun academische functie met die van bedrijfsleider. Studenten lopen stage in bedrijven en na hun afstuderen blijven ze contact houden met de academici via beroepsverenigingen. De Scholen passen hun specialisaties aan de noden van de tijd en de omgeving aan. De Gentse rijksuniversiteit specialiseert zich bijvoorbeeld in textiel, terwijl de Luikse universiteit zich focust op mijnbouw. Nieuwe technologieën zoals elektriciteit, communicatie en informatie worden geïntroduceerd, andere verliezen hun relevantie en verdwijnen.

De nuttige wetenschap

Dat laboratoriumonderzoek de industrie ten goede komt, formuleert koning Albert I tijdens een toespraak in Seraing in 1927. Hij pleit er voor een ‘nuttige, patriottische, sociale en pacifistische wetenschap’ die de Belgische economie kan heropbouwen na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog en concurrentieel kan zijn ten opzichte van de buurlanden. In het zog van deze toespraak investeren rijke industriëlen in een nieuw Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, de voorloper van het huidige FWO-Vlaanderen. Ook middelen die aanvankelijk bedoeld waren voor voedselhulp komen in dit fonds terecht: kennis is het voedsel van de geest en bron van economische, dus sociale vooruitgang.

Industriële revolutie en wetenschappelijke renaissance

Na de Tweede Wereldoorlog is wetenschap enerzijds niet meer los te koppelen van technologische toepassingen en zijn nieuwe technologieën anderzijds niet mogelijk zonder fundamenteel basisonderzoek. Tijdens de derde wetenschappelijke revolutie gaan overheden actief ingrijpen op de wetenschap met een wetenschapsbeleid en grote nationale en internationale projecten. Aan de universiteiten verschijnt een nieuw type wetenschapper, de manager, die toenadering zoekt tot partners buiten de academische wereld. Wil men de laboratoria uitrusten met moderne apparatuur, dan moet er aan externe fondsenwerving worden gedaan.

Academische tegenstand

Maar niet iedereen is voorstander van de toenadering tussen wetenschap en industrie. Een wetenschapper streeft naar kennis en wil die kennis delen met andere wetenschappers. Bedrijven zoeken naar toepassingen die hen een concurrentievoordeel en dus winst opleveren. Dat zijn twee onverenigbare doelstellingen, stellen tegenstanders van de samenwerking. Ze vrezen dat de onafhankelijkheid van de wetenschapper in het gedrang komt als die te zeer afhangt van zijn geldschieters. Hoe valt afstand en een kritische wetenschappelijke reflex te rijmen met kortetermijndoelstellingen? Verschillende disciplines die geen duidelijk economisch nut hebben, vooral in de menswetenschappen, vrezen voor hun voortbestaan. Bezorgde rectoren en onderzoekers stellen in de jaren 1990 de omstandigheden van de samenwerking in vraag en verwerpen de tendens om enkel nog marktgerichte opleidingen aan te bieden.

Een nieuwe taakverdeling

In België en Vlaanderen is de taakverdeling tussen gemeenschappen, gewesten, lokale overheden en ondernemingen sindsdien transparanter geworden. Fundamenteel, experimenteel, contextueel en toegepast onderzoek zijn elk verzekerd van verschillende geldstromen. Er zijn aangepaste juridische kaders in verband met intellectueel eigendom, octrooien, spin-offs, enzovoort. Universiteiten hebben garantie op een zekere autonomie waardoor enerzijds de academisch vrijheid beschermd is en er anderzijds genoeg flexibiliteit overblijft om in te spelen op wetenschappelijke, technologische en financiële mogelijkheden.

Fundamenteel versus toegepast onderzoek?

Het contrast tussen fundamenteel en toegepast onderzoek blijkt in de praktijk overigens niet zo onverenigbaar als op het eerste zicht lijkt. Fundamenteel onderzoek leidt meestal niet naar directe toepassingen maar is daarom niet minder belangrijk. Zonder het negentiende-eeuwse fundamenteel onderzoek naar elektriciteit bijvoorbeeld waren er vandaag geen elektrische toestellen. Ten tweede drijft de wetenschapper die voor zijn fundamenteel onderzoek hoogtechnologische apparatuur nodig heeft bedrijven tot het uiterste. Het gebeurt ook dat de technologische hulpmiddelen die een labo zelf ontwikkelt in een andere context toegepast kunnen worden. Het bekendste voorbeeld daarvan is het World Wide Web dat door Tim Berners-Lee en de Gentse alumnus Robert Calliau voor het CERN ontwikkeld werd om op een efficiënte manier interne informatie uit te wisselen.

Wetenschapspark Ardoyen

De plek bij uitstek voor een samenwerking tussen onderzoek en industrie is het wetenschapspark. Weg van het stadscentrum, in een rustige maar goed bereikbare omgeving, reserveren universiteiten in het laatste kwart van de twintigste eeuw terreinen voor hoog technologisch en toegepast onderzoek. Onderzoeksgroepen en bedrijven delen er personeel, knowhow en apparatuur. Onderzoeksafdelingen die zich verzelfstandigen tot zogenaamde ‘spin-offs’ vinden er een beschermde en begeleide omgeving. Het wetenschapspark Ardoyen van de Gentse universiteit is gelegen in Zwijnaarde. In 1972 kocht de universiteit deze 53 hectare om er de faculteit Ingenieurswetenschappen opnieuw op te bouwen met moderne laboratoria maar in 1989 kreeg het gedeeltelijk een nieuwe bestemming als wetenschapspark. Binnen de huidige kennismaatschappij lijken de wetenschapsparken op het vlak van onderzoek, innovatie en werkgelegenheid een succesformule.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis UGent

 

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Publiek-private samenwerking." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 23 september 2016. www.ugentmemorie.be/artikel/publiek-private-samenwerking

 

Literatuur

  • Blik op UGent. Jaarverslag 2008, Gent, 2008.

  • ‘2de geldstroom. Universiteit put steeds meer kapitaal uit industrie’, in: Universiteit Gent, II(1988-1989), 9, pp. 24-25.

  • Rudy Ackaert, ‘Baekeland zoekt genieën. Fonds zet Gentse spin-offs op de rails Universiteit Gent’, 13, 1998-1989(4), pp. 12-13.

  • Laurence Brockliss, ‘Gown and town: The University and the City in Europe, 1200-2000’, in: Minerva,

  • 36, 2000, pp. 147-170.

  • Peter Hall, ‘The university and the city’, in: GeoJournal, 41, 1997(4), pp. 301-309.

  • Robert Halleux (red.), Serge Jaumain, Andrée Despy-Meyer, Pierre Marage , Denis Thieffry, Geschiedenis van de wetenschappen in België : 1815-2000. Deel 2: Van nationale wetenschap tot wereldweide netwerken, Brussel, 2001.

  • www.techtransfer.ugent.be

  • www.wetenschapswinkel.be

Deel deze pagina: