Museum Morfologie

De zevenduizend skeletten, afgietsels en plastinaten van het Museum Morfologie (MuMo) van de faculteit Diergeneeskunde vormen een wat macaber maar fascinerend zicht. Het MuMo is een buitenbeentje in de reeks academisch erfgoed. De collectie is jonger dan de andere collecties en ze verloor nog niets van haar primaire, didactische functie. De preparaten worden dagelijks ingezet in het onderzoek en onderwijs van de faculteit Diergeneeskunde.

Diergeneeskunde versus Dierkunde

Veterinaire morfologie omvat de anatomie, embryologie en histologie van dieren. Voor een buitenstaander lijkt de collectie skeletten van de faculteit Diergeneeskunde verdacht veel op die van het Museum voor Dierkunde. Maar het onderscheid is even groot als dat tussen diergeneeskunde en biologie. Diergeneeskunde heeft dierziekten als studiedomein met als doel ze te diagnosticeren en genezen en als het kan te voorkomen; biologie heeft het volledige planten- en dierenrijk als onderwerp en tracht het te classificeren. Voor de eerste worden preparaten van huis- en productiedieren verzameld die studenten diergeneeskunde moeten bestuderen, vergelijken en betasten ter voorbereiding van het werken met levende patiënten; voor de tweede wordt een zo groot mogelijke variëteit aan dieren gepresenteerd (skelet en opgezet), ook zeldzame en uitgestorven soorten. De eerste kan niet zonder een hands-on aanpak, de tweede vindt meer heil in digitale databanken.

Veeartsenijschool

De Morfologische collectie is zo oud als het diergeneeskundig onderwijs in Gent en is verweven met de aard en evoluties ervan. Haar geschiedenis start in 1933. Na jarenlang communautair getouwtrek wordt de Gentse Veeartsenijschool opgericht als Nederlandstalige evenknie van de Veeartsenijschool van Kuregem en als onderdeel van de faculteit Geneeskunde. De oprichting is een gevolg van de vernederlandsing van de UGent in 1930 maar ook een bevestiging van diergeneeskundig onderwijs als ‘hoger’ onderwijs. Dat de Veeartsenijschool niet onmiddellijk een aparte faculteit wordt, heeft te maken met de positie van diergeneeskunde als wetenschappelijke discipline die onrijp is bevonden.

Na omzwervingen langs de Guinardstraat, het Rommelaerecomplex en de Sint-Jansvest wordt op de terreinen van het burgerlijk feestpaleis het Casino aan de Coupure een site voor de Veeartsenijschool uitgebouwd. August Desmet, hoogleraar architectuur en urbanisme ontwerpt de plannen van de bakstenen nieuwbouw. De Kliniek voor Grote Huisdieren, de Kliniek voor Kleine Huisdieren, de Instituten voor Anatomie en Biologie, Pathologie en Farmacodynamie worden in aparte paviljoenen ingericht, een deel tijdens het interbellum, een deel na de oorlog. Naarmate de gebouwen verrijzen, wordt het Casino zelf gesloopt en ontmanteld. In de paviljoenen voorziet Desmet verschillende museale ruimtes voor de anatomische preparaten.

Paarden en varkens

Die preparaten moeten allemaal nieuw gemaakt worden. Een werk dat de anatoom Jan De Regt en patholoog Jozef Thoonen ter harte nemen. Zij werken een interessante ruil uit: in het laboratorium voor dierlijke pathologie worden kosteloos secties en onderzoek uitgevoerd voor dierenartsen in ruil voor de kadavers. De eerste collectiestukken van het Morfologisch Museum dateren uit die beginjaren van de faculteit. Het zijn vooral paarden, koeien en varkens die op de snijtafel terechtkomen.

Paarden hebben lange tijd de activiteiten van dierenartsen gedomineerd: ze vervulden in de premechanische samenleving een cruciale rol als trekkracht in de landbouw, het leger, de handel, het transport en de industrie. Na de Tweede Wereldoorlog verschuift de aandacht van de diergeneeskunde naar de varkens. De varkensfokkerij groeit dan uit tot een economisch belangrijke tak in Vlaanderen en het wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheidszorg van deze dieren breidt uit. In de jaren 1960 wordt twee derde van de diagnostische secties aan de Veeartsenijschool uitgevoerd op varkens, zo’n 1000-tal per jaar. In een achterkamertje van het MuMo bevindt zich een pathologische collectie, een macabere verzameling preparaten op formol ter illustratie van allerlei epidemische varkensziektes. Dit materiaal komt wie weet nog van pas bij het uitbreken van een nieuwe varkenspest.

Huisdieren

Vanaf 1 oktober 1968 promoveert de Veeartsenijschool tot zevende faculteit van de UGent. Dat heeft positieve gevolgen voor het statuut van de personeelsleden, de financiering, het bestuur en de autonomie van de afdeling. Helaas zijn de vette jaren dan al voorbij. De economische recessie bevriest onder andere de uitbouw van een nieuwe faculteitssite in Merelbeke die uiteindelijk pas in 1996 in gebruik wordt genomen. De morfologische collectie, die jarenlang verborgen heeft gezeten aan de Coupure, verspreid over diverse lokalen, wordt op de nieuwe site ondergebracht in één lichtrijke museale ruimte.

In de collectie is, net als in de veterinaire wetenschap, het zwaartepunt ondertussen verschoven van productiedieren naar huisdieren. Door de toegenomen welvaart en de antropomorfisering van dieren is de vraag naar gezondheidszorg voor kleine huisdieren en dieren die worden gehouden voor recreatie- en sportdoeleinden sterk toegenomen. De verschoven aandacht naar huisdieren verloopt trouwens parallel aan de feminisering van de opleiding en het veterinaire beroep. De faculteit Diergeneeskunde heeft van alle Gentse faculteiten de meest spectaculaire gendermetamorfose ondergaan: in de jaren 1960 waren er amper vrouwelijke studenten, tegenwoordig maken ze 72% van de studentenpopulatie uit.

Melkwitte skeletten

Hoewel ze geen echte specialisatie van de faculteit vormen, huizen in het MuMo een aantal exotische dieren. Het zijn schenkingen van dierenparken, circussen en wetenschappelijke instituten en species uit inbeslagnames van de douane. Er zijn niet zo veel morfologische collecties in België waar deze dieren terecht kunnen: behalve in Gent zijn er collecties in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), het Afrikamuseum van Tervuren, de Zoo van Antwerpen en ook de universiteit van Antwerpen en Luik beschikken over een bescheiden verzameling. Gent heeft op deze andere instellingen het voordeel dat het gespecialiseerd is in het verwerken van kadavers tot skeletten. Daartoe heeft het een zelf ontworpen cilinderkookketel, een kolonie kevers en een ontvettingsprocédé dat ervoor zorgt dat skeletten mooi wit blijven. Dankzij die expertise en reputatie komt het MuMo aan haar laatste pronkstukken: de onderkaak van een op het strand van Sint-Anneke aangespoelde vinvis en enkele skeletonderdelen van de gestrande potvis in Heist. Een autopsie uitvoeren op een levensgrote walvis en het kadaver versnijden tot hanteerbare brokken is geen flauwe koek...

Von Hagens

Behalve in de skeletbouw, is de dierengeneeskunde ook geïnteresseerd in de organen van dieren. Om die te bestuderen en te conserveren heeft het MuMo zich verdiept in twee technieken: de afgietseltechniek en de plastinatie. Voor de eerste spuit men in het holle orgaanstelsel een stof om een afgietsel te bekomen. Onderzoekers kunnen via deze techniek bloedvatenstelsels van allerlei diersoorten nauwgezet in kaart brengen. Het is een oude techniek: Leonardo Da Vinci deed het al met bijenwas en Honoré Fragonard, broer van schilder Jean-Honoré Fragonard, gebruikte een ijzergietsel. Fragonards preparaten zijn zeer kunstig en nog steeds te bewonderen in het Musée Fragonard, verbonden aan de Veeartsenijschool van Alfort bij Parijs. Tegenwoordig gebruikt men voor afgietsels allerlei polymeren.

De plastinatiemethode staat op het palmares van de Duitse anatoom-patholoog Gunther Von Hagens. Bij deze techniek wordt het vocht in een kadaver door een soort silicone vervangen zodat een ‘plastinaat’ wordt geprepareerd. Von Hagens is bij het grote publiek bekend als de man van Körperwelten, de controversiële tentoonstelling van geprepareerde mensen en dieren. Minder bekend is dat de techniek en producten van Von Hagens ook bijzonder toepasbaar zijn voor onderzoek en onderwijs in de diergeneeskunde. Daar vroeger organen uitsluitend bewaard konden worden op formol, kunnen ze nu ook zonder worden bewaard en gehanteerd. Nadeel van het procedé is dat de gepatenteerde stof geld kost en ‘platineren’ een zeer tijdrovend werkje is dat de expertise van een gewone snijder overstijgt.

Tussen wetenschap en kunst

Het succes van de Körperweltententoonstelling getuigt van de menselijke fascinatie voor het lichaam. Ook het MuMo kan op veel publieke belangstelling rekenen tijdens opendeur- en erfgoeddagen en de museumruimte wordt druk gesolliciteerd voor recepties. De anatomische preparaten van het MuMo zijn niet alleen nuttig en fascinerend, maar vaak ook zeer esthetisch. Dat geldt ook voor de afbeeldingen. De grens tussen wetenschappelijke tekeningen en kunst is altijd dun geweest: de anatomische schetsen van Da Vinci zijn wereldberoemd en in zeventiende en achttiende-eeuwse paardenboeken vind je prachtige houtsneden. Kunstenaars van alle tijden delen de fascinatie voor anatomie met het publiek. Ook de collectie van het MuMo wordt gefrequenteerd door kunstenaars. Onder andere de fotografen Johan Jacobs en Karin Borghouts gebruikten de preparaten voor hun composities. Uit hun wetenschappelijke context gehaald verworden ze tot ‘kunst’.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis
18 april 2012

 

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Museum Morfologie." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 18.04.2012. www.ugentmemorie.be/artikel/museum-morfologie.

 

Literatuur

  • Van paardenmiddel tot paardendokter. Over de geschiedenis van de paardengeneeskunde, Waregem, 2011.

  • Veterinaire musea: verleden of toekomst? Themanummer ARGOS, 32 (2005), nr. 4.

  • K. De Clerck, 50 Jaar Nederlandstalig diergeneeskundig onderwijs aan de RUG, Gent, 1984.

  • Steven W.G. De Clercq, ‘Bewaren om te gebruiken. Het ‘materiële archief’ van onderzoekscollecties’, in: Gewina 30 (2007), pp. 9-25.

  • Peter Koolmees, ‘Over koetjes en kalfjes? De collectie diergeneeskunde van het Universiteitsmuseum Utrecht’, in: Gewina 30 (2007), pp. 80-92.

  • N. Poulain, ‘Naar Merelbeke...’ in : Vlaams diergeneeskundig tijdschrift, 65 (1996), nr. 5, pp. 272-276 .

  • L. Geurden, ‘Het ontstaan van de Gentse Veeartsenijschool’, in: Mededelingen der Veeartsenijschool van de Rijksuniversiteit te Gent. Lustrumnummer. 2(1958), nr. 4, pp. 107-118.

  • L. Geurden, ‘Het ontstaan der Gentse veeartsenijschool’, in: De Brug, 3 (1959), nr. 3, pp. 151-156.

  • M. Mammerickx, Histoire de la médecine vétérinaire belge, Bruxelles, 1967.

Deel deze pagina: