1866: cholera in Gent

Twee cholera-epidemieën die de ramp van 1866 voorafgaan en volgen op de ravage van 1849, zijn beduidend kleiner in omvang: 1.004 Gentse slachtoffers in 1854 en 1.200 in 1859, hoewel er elders in Europa slachtingen worden aangericht. In 1866 slaat de cholera opnieuw ongemeen hard toe.

Wereld in wurggreep

Net zoals bij de cholerapandemie van 1832 ontstaat de ziekte in de Ganges-delta in 1863 en reist mee met islamitische pelgrims op jaarlijkse bedevaart naar Mekka. Er vallen 30.000 doden onder de pelgrims. Vandaar verspreidt de plaag zich door het Midden-Oosten om later Europa, Afrika en Noord-Amerika te bereiken. Ze woekert wereldwijd door tot 1875.

Enkele cijfers om te duizelen. Rusland: 90.000 slachtoffers in 1866; Oostenrijks Keizerrijk: 165.000 slachtoffers in 1866; Hongarije: 30.000 slachtoffers in 1866; Nederland: 20.000 slachtoffers in 1866; Italië: 113.000 slachtoffers in 1867; Algerije: 80.000 in 1867; Zanzibar: 70.000 slachtoffers in de jaren 1869-70; Verenigde Staten: 50.000 slachtoffers in de jaren 1870. In België noteren we in 1866 43.300 overlijdens of ongeveer 9 op 1000 inwoners ten gevolge van de cholera. Die wordt dan de ‘triomf des doods’ genoemd.

Gentse doden

Gent wordt opnieuw zwaar getroffen. 11 mei 1866. Een vrouw die in een logementshuis op de Voetweg verblijft wordt in spoed naar het ziekenhuis gebracht waar ze overlijdt aan de cholera. Een dag later sterft een andere logé van het hotel. Het stadsbestuur sluit het etablissement en laat het beddengoed en de matrassen verbranden. Tevergeefs. Op 16 mei overlijdt de uitbaatster. Pas enkele weken later op 8 juni valt er een slachtoffer in de Groenstraat en één in een beluik in de Heilig Kerststraat. Onderling zijn er geen connecties en ook niet met de besmettingshaard op de Voetweg. Het hek is van de dam.

Diezelfde maand vallen nog 51 doden hoofdzakelijk in het noord, noord-oosten van de stad. In juli woekert de epidemie voornamelijk in de wijk van de Sassepoort en verspreidt zich van daar over het ganse grondgebied. In de zomermaanden juli en augustus overlijden er 2.272 mensen, gemiddeld meer dan 36 per dag. In september is de plaag over haar hoogtepunt en tellen we 335 slachtoffers, in oktober slechts 100. Het laatste sterfgeval is op 7 november. Iets meer dan de helft van de 5.500 besmetten sterft aan de cholera, waarvan meer dan een derde jonger dan 9 jaar. De trieste balans: 2.769 doden of 2,4 % van de bevolking. Getransponeerd naar vandaag zou dit voor Gent 6.275 doden betekenen.

Maatregelen in beluiken

In 1866 woont één vijfde van de Gentse bevolking in de 674 beluiken die de stad telt. In die donkere, slecht verluchte citeetjes, zitten duizenden, vaak ondervoede mensen, in onhygiënische omstandigheden op elkaar gepakt. Het stadsbestuur, gealarmeerd door de wereldwijde omvang van de plaag, neemt sanitaire maatregelen. Bij politieverordening worden honderden huizen gereinigd en gekalkt op kosten van de eigenaars en in de ergste gevallen worden de panden onbewoonbaar verklaard. Straten worden gekuist en het afval wordt verwijderd en er is aandacht voor het groot probleem van de afwatering. Slachthuis, Vleeshuis en Vismarkt worden streng gecontroleerd.

Na de vorige epidemie van 1849 richtte de stad, op sterk aandringen door de ‘Société de Médecine’, een ‘Comité d’Hygiène Publique’ op en keurde een Reglement op Openbare Hygiëne goed in oktober 1850, met de bedoeling de onhygiënische en zelfs gevaarlijke toestanden in de beluiken te remediëren en recht te zetten. Hierin zijn strenge bouwkundige en onderhoudstechnische voorschriften opgenomen en een hygiënisch reglement voor de beluikbewoners met een stelsel van boetes en beloningen

Bij wet van 8 augustus 1848 kunnen gemeenten een overheidskrediet krijgen voor de sanering van arbeidersbuurten. De reeds in 1818 opgerichte provinciale hygiënische commissies zien in 1848 hun bevoegdheid uitgebreid tot hygiëne in woningen en werkplaatsen. En in 1858 en 1867 worden de wetten op ‘onteigening voor de sanering van ongezonde wijken’ van toepassing. Door afschaffing van de octrooirechten in 1860 kan de stad makkelijker buiten haar poorten groeien. En Gent sloopt letterlijk zijn poorten in een minimum van tijd en start met de demping van de stadsvesten om een prestigieuze ringboulevard aan te leggen. Arbeiders zijn volop voorhanden omdat door de Amerikaanse Secessieoorlog (1861-’65) en de ermee gepaard gaande katoenschaarste, de Gentse textielsector in een zware crisis belandt.

Waterlopen worden riolen

Door de epidemie van 1866 wordt de druk groot om in een snel tempo werk te maken van de saneringswerken. Op voorstel van schepen Charles Andries, tevens hoogleraar aan de UGent, worden een groot aantal waterlopen onmiddellijk gedempt en worden rioleringen aangelegd. Naast deze hygiënische en bouwkundige maatregelen moeten uiteraard de grootste noden van de bevolking gelenigd worden. Het Liefdadigheidsbureau van de stad bedeelt onder de behoeftigen 34.128,5 frank in geld, 8.571 kg rijst, 22.850 kg tarwebloem, 1.193 strozakken (matrassen) en evenveel hoofdkussens, 775 kg stro, 641 dekens, 377 hemden, 57 rokken, 59 mantels, 87 broeken, 97 bloezen, 75 paar kousen en 22.764 geneesmiddelenvoorschriften voor de armenapotheek.

Vele lijken worden begraven op een uitbreiding van het kerkhof op de Heuvelpoort. De graven worden direct bedekt met een laag chloorkalk. Om paniek onder de bevolking te vermijden worden de lijkkisten per wijk in depots geplaatst, om zodoende verplaatsingen met de kisten maximaal te beperken en ze grotendeels aan het oog van de mensen te onttrekken.

Solidariteit en liefdadigheid

Ook private initiatieven van solidariteit komen op gang. Een aantal voorbeelden:

Begin augustus schenkt de in 1856 door de liberale burgerij gestichte liefdadigheidsvereniging ‘de zonder Naam niet zonder Hart’ 15.000 frank. In haar lokaal aan de Korte Meer wordt elke zondagmorgen brood en vlees uitgedeeld.
Begin september wordt in ‘Le Duc de Brabant’ in de Stationsstraat een tombola voor de weduwen en wezen van de choleraslachtoffers gehouden. Koning Leopold II en koningin Marie-Henriette schenken de hoofdprijs: een zwart marmeren pendule met een hazewind. In oktober wordt in hetzelfde etablissement opnieuw een tombola ingericht waarvoor deze keer paus Pius IX enkele kunstvoorwerpen schenkt.
In de herberg ‘Leopold’ in de Sint-Lievensstraat worden eigenhandig geschreven en ondertekende gedichten van Victor Hugo verloot, die hiermee de nabestaanden van de slachtoffers wil steunen. Elk gedicht is een prijs. De felbegeerde loten kosten 25 centiemen.
Naast tombola’s worden ook benefietvoorstellingen opgevoerd zoals een opvoering van ‘Lucifer’ van Peter Benoit door de koormaatschappij Het Oratorium, die bijna 1.000 frank opbrengt.
De Gentse geneeskundeprofessor, Etienne-Philippe Poirier, die zich trouwens ook reeds bijzonder verdienstelijk had gemaakt tijdens de vorige choleraplaag van 1849, wordt gehuldigd door de bewoners van het Brandstraatje. Uit erkentelijkheid voor zijn toewijding en inzet schenken ze hem een gouden medaille die bekostigd wordt via een publieke geldinzameling.

De cholera-epidemie van 1866, ongetwijfeld één van de grootste gezondheidscrisissen die Gent de afgelopen eeuwen treft, zorgt er in elk geval voor dat de sanering en de urbanisering van de stad in een ongekende stroomversnelling terechtkomt.

Frank Cotman
Vakgroep Geschiedenis UGent
22 april 2020

 

Dit artikel maakt deel uit van het UGentMemorie-dossier ‘Coronacrisis: historisch?

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Cotman, Frank. "1866: cholera in Gent." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 29.04.2020. https://www.ugentmemorie.be/artikel/1866-cholera-gent

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten