Obrie, Jules (1849-1929)

Jules Obrie is een vooraanstaande Vlaamse jurist, hoogleraar en activist en speelt een actieve rol in de Vlaamse beweging, met een specifieke focus op de intellectuele en juridische vernederlandsing van België. Obrie is een rasechte Gentenaar en woont en werkt quasi zijn ganse leven in Gent. Hij studeert rechten aan de universiteit van zijn geboortestad en wordt advocaat. In 1885 stapt hij van de advocatuur over naar de magistratuur. Als overtuigd 'flamingant' zet hij zich in voor de ontwikkeling van een Nederlandstalige rechtstaal en rechtspraak. Hij publiceert consequent in het Nederlands in een tijd waarin het rechtswezen in België nog nagenoeg volledig Franstalig is. Hij neemt ontslag als magistraat als hij in 1897 hoogleraar benoemd wordt aan zijn alma mater. Tijdens de Eerste Wereldoorlog engageert hij zich aan de door de Duitse bezetter gesteunde Vlaamse Hogeschool, waar hij van 1916 tot 1917 ook de functie van decaan van de rechtsfaculteit bekleedt. 

De jonge Obrie

Jules Obrie wordt geboren in Gent op 16 maart 1849. Zijn vader Joannes is deurwaarder, een beroep dat door de jonge Belgische Staat bij decreet in 1833 geregeld wordt. De deurwaarder is, eufemistisch uitgedrukt, weinig geliefd bij een groot deel van de bevolking. Vader is erg Vlaamsgezind en is actief betrokken bij de stichting van het Vlaamsch Verbond door Ferdinand Snellaert. Het Vlaamsch Verbond is een flamingantische politieke drukkingsgroep die alleen in Gent voet aan de grond krijgt, maar na interne spanningen tussen liberalen en klerikalen in 1869 wordt opgedoekt. Julies Obrie doet zijn middelbare studies aan het Koninklijk Atheneum en het Sint-Barbaracollege in Gent en trekt nadien naar de UGent waar hij in 1871 promoveert tot doctor in de rechten. Hij vestigt zich nadien als advocaat in Gent. 

Advocaat en magistraat

Reeds als stagiair onderscheidt Obrie zich als flamingantisch advocaat aan de Gentse balie. In 1872 neemt hij samen met stagiair Albert Fredericq  het initiatief voor een petitie aan het parlement waarin de houding van het Hof van Cassatie wordt aangeklaagd. Dat heeft in een arrest aan de advocaten van de flamingant Jozef Schoep, op algemene wijze het recht ontzegt om in het Nederlands te pleiten voor het Hof van Cassatie. De twee jonge stagiairs slagen erin de handtekeningen van 74 Gentse advocaten te verzamelen. In augustus 1873 raakt de taalwet Cooremans door het parlement. In Vlaanderen worden strafzaken in principe in het Nederlands behandeld, maar de advocaten blijven vrij om in het Frans te pleiten. In november 1873 richten Obrie en Fredericq samen met andere confraters de Vlaamse Conferentie der Balie van Gent op, met de bedoeling hun collega-advocaten vertrouwd te maken met Nederlandse strafpleidooien. De resultaten blijven niet uit. In 1874-1883 zijn in Gent gemiddeld 29% van de correctionele pleidooien in het Nederlands.
In 1876 stapt Obrie over naar de magistratuur en wordt vrederechter in het kanton Waarschoot. In 1885 wordt hij rechter benoemd in de rechtbank van eerste aanleg in Dendermonde en later in Gent (1889), waar hij ondervoorzitter wordt.

Vlaamse Beweging

In 1877 richt de 28-jarige magistraat samen met onder meer de twintigers Alfons Siffer en Herman de Baets de Snellaertkring op, die over de partijgrenzen heen de Nederlandstalige literatuur wil vrijwaren en bevorderen en de 'Vlaamse volksrechten' wil verdedigen. Ze komen wekelijks in het lokaal ‘De Staten van Amerika’ in de Gentse Wilderoosstraat bijeen om naar voordrachten te luisteren, die vaak met de Vlaamse zaak te maken hebben. 
Bij de oprichting van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde in 1886 wordt Obrie tot werkend lid verkozen. De Koninklijke Vlaamse Academie is een instelling die zich in de loop van haar geschiedenis heeft ingezet zowel voor taalculturele, wetenschappelijke als politieke Vlaamse doelen. Sinds 1892 vindt de Academie onderdak in het Huis van Oombergen in de Koningstraat in Gent. Obrie is een bedrijvig academielid en publiceert regelmatig korte studies over wetboeken en rechtstaal in Nederland, introducties waarmee hij bij de Vlaamse juristen belangstelling wil wekken voor de rechtspraktijk in dat nabije taalgebied. Hij treedt regelmatig op als verslaggever en is voorzitter van de in de schoot van de Academie opgerichte Commissie van Onderwijs en de Commissie voor Nieuwe Taal- en Letterkunde. In 1902 wordt hij bestuurder van de Academie en is regelmatig haar afgevaardigde op de Nederlandse Taal- en Letterkundige Congressen. Zelf draagt Obrie ook bij tot de Nederlandse letterkunde, door bijdragen in de tijdschriften De Vlaamsche Kunstbode en Het Belfort. 
Naast dit cultureel engagement is hij ook actief in andere geledingen van de Vlaamse Beweging, onder meer in het Nationaal Vlaamsch Verbond (1891-1914) en in de Vlaamsche Volksraad (1892-1914) en speelt zodoende een rol bij het afdwingen in 1898 van de ‘Gelijkheidswet’. De gelijkheidswet stelt het Nederlands voor officiële publicaties gelijk aan het Frans. Het Nationaal Vlaamsch Verbond is een vereniging waarin vrijzinnige en katholieke flaminganten van 1891 tot 1914 samenwerkten. De Vlaamsche Volksraad, het jaar nadien opgericht, fungeert als bestuur of uitvoerend organisme van het Nationaal Vlaamsch Verbond. Obrie is in 1896 ook lid van de eerste Vlaamse Hogeschoolcommissie, die zich inzet voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Nederlandstalige rechtsleer

Jules Obrie legt zich vooral toe op de studie van de Nederlandse rechtstaal en op het wegwerken van de vooroordelen die hierover bestaan. Zoals ook voor andere wetenschappen het geval is, is een meerderheid van de Vlaamse intellectuelen ervan overtuigd dat enkel het Frans geschikt is om te gebruiken in de rechtswetenschappen. Vandaar dat het tot 1930 duurt vooraleer de Gentse universiteit vernederlandst wordt. In een brochure uit 1880 over de Nederlandse rechtstaal in Vlaanderen pleit Obrie ervoor dat Vlaamse juristen moesten trachten zich de keurige rechtstaal uit Noord-Nederland eigen te maken. Obrie bestudeert het Nederlandse recht, dat hij goed kent, en heeft uitstekende contacten met Nederlandse juristen en taalkundigen.
Het gebruik van een correcte Nederlandse rechtstaal in Vlaanderen, is een voortdurend streven voor Jules Obrie. De Nederlandse versie van de wetten, die sedert 1898 een officieel karakter krijgen, laat veel te wensen over. De motie, die Obrie door de "Vlaamsche Volksraad" op 30 april 1899 laat stemmen, waarin Kamer en Senaat verzocht worden om de Belgische wetteksten te laten vertalen in correct Nederlands, is een belangrijke stap in zijn ‘Vlaams-sociale’ strijd.

Doceren aan de Gentse universiteit

Zijn eerste benoeming in het universitair onderwijs krijgt Jules Obrie aan de Luikse universiteit. Ingevolge de eerste Vlaamse taalwetten m.b.t. het gerecht worden in 1890 vanuit de regering aan beide rijksuniversiteiten Nederlandstalige leergangen in het strafrecht en de strafrechtspleging opgericht. In oktober 1890 wordt Obrie titularis van deze leergangen te Luik en komt pas zeven jaar nadien over naar Gent. In 1897 wordt hij gewoon hoogleraar benoemd aan de UGent en belast met het onderwijs in het notarieel recht en de notariële praktijk. Hij neemt ontslag als magistraat. 
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog sluit de Gentse universiteit haar deuren, maar de Duitse bezetter heeft andere plannen. Gouverneur-Generaal von Bissing kondigt in december 1915 de oprichting aan van een Vlaamse Hogeschool onder Duits toezicht. Op 24 oktober 1916 opent de Vlaamse Hogeschool haar deuren. Onder de 43 professoren die het eerste academiejaar worden aangesteld, zijn slechts zeven leden van het vooroorlogse korps, waaronder Jules Obrie. Hij is decaan van de Rechtsfaculteit en maakt ook deel uit van het curatorium, een adviescommissie toegevoegd aan de Raad van Beheer. Na de bevrijding wordt hij daarvoor gearresteerd, in staat van beschuldiging gesteld en doorverwezen naar het hof van assisen. Hij wordt ontslagen als hoogleraar en uit de Koninklijke Vlaamse Academie gezet. Alfons Siffer, waarmee hij meer dan veertig jaar geleden de Snellaertkring heeft opgericht, die inmiddels katholiek volksvertegenwoordiger is, komt eind 1918 tussen bij de bevoegde minister, ten gunste van Obrie.  Het assisenhof van Oost-Vlaanderen behandelt in juli 1920 het proces van de Vlaamse Hogeschool. De zaak van de professoren Jules Obrie en Emile Lahouse wordt uitgesteld omdat beiden ziek zijn. Uitstel betekent hier afstel. Jules Obrie overlijdt op 20 november 1929 en wordt begraven op het Campo Santo in Sint-Amandsberg bij Jan-Frans Willems, de vader van de Vlaamse Beweging, wiens monument hij als voorzitter van het organiserend comité, in de zomer van 1899 heeft inhuldigt op het Gentse Sint-Baafsplein. 

 

Frank Cotman
Vakgroep Geschiedenis UGent
31 augustus 2026

 
Hoe verwijs je naar dit artikel? 
Cotman, Frank. "Obrie, Jules (1849-1929)." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 31.08.2026. www.ugentmemorie.be/personen/obrie-jules-1849-1929 

BIBLIOGRAFIE

https://www.ugentmemorialis.be/catalog/000000132
https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/obrie-julius
Obrie, Jules, De Nederlandsche Rechtstaal (voordracht gehouden in de Vlaamse Conferentie der Balie te Gent), 1880.
Obrie, Jules, Over eene nauwere aansluiting tusschen Noord en Zuid op het gebied van taal en recht, 1892.
Luyckx, Theo, Julius Obrie in: Rijksuniversiteit te Gent. Liber Memorialis 1913-1960, dl. 2, 1960, pp. 35-37.
Victor, René. De Nederlandse rechtstaal en andere opstellen van Prof. Julius Obrie, 1966.
Mantels, Ruben, Gent. Een geschiedenis van universiteit en stad, 1817-1940, 2013.
Vanacker, Daniël, Het aktivistisch avontuur. Sichting Mens en Kultuur, Gent, 1991.
Faignaert, A. L., Verraad of zelfverdediging. Bijdrage tot de geschiedenis van den strijd voor de zelfstandigheid van Vlaanderen tijdens den oorlog van 1914-1918, De Noorderklok, Antwerpen, 1933.

Deel deze pagina: