Volkssterrenwacht Armand Pien

Wie in de Rozierstraat of de Lovelingstraat staat, kan bovenop het Plateaugebouw de groene observatiekoepel ontwaren van de Volkssterrenwacht Armand Pien. Onder de koepel bevindt zich een historisch pronkstuk, een werkende optische Steinheil-Cooke-telescoop uit 1880. Naast de koepel ligt een meteorologisch grasveld en verschillende lokalen van het sterrenkundig observatorium. Dat hier nog steeds een actief sterrenkundig observatorium staat, is te danken aan de inspanningen van professor Dejonghe, Armand Pien en enkele amateurastronomen. Zij redden het station in de jaren 1990 van de sloophamer.

Het sterrenkundig observatorium op de Aula

Hoewel de universiteit bij haar stichting in 1817 een telescoop krijgt van Willem I, duurt het tot 1838 vooraleer er ook een observatorium komt. Net als in enkele andere grote steden laat de directeur van de Koninklijke Sterrenwacht en Gents alumnus Adolphe Quetelet in Gent een observatorium bouwen dat wordt uitgerust met een meridiaankijker. Dit instrument kan het moment van de precieze middag aflezen en maakt zo een uniforme tijdrekening mogelijk in België. Deze gelijkschakeling van de stedelijke tijd met de tijd in Ukkel is noodzakelijk om het nieuwe spoorwegnet uit te bouwen. Het Gentse observatorium wordt gebouwd boven het peristylium van de aula van de universiteit. Professor Jozef Plateau, een oud-leerling en vriend van Quetelet, neemt de berekeningen en de plaatsing van de telescoop op zich. Nauwelijks twee jaar later vervangt de telegraaf de meridiaankijkers om de spoorwegtijd door te geven en verliest het observatorium haar oorspronkelijke bestaansreden. Het observatorium wordt nog sporadisch gebruikt voor de waarnemingen in het kader van de practica sterrenkunde. Terwijl verscheidene Belgische universiteiten een gespecialiseerde onderzoekseenheid uitbouwen, blijft astronomie in Gent maar een marginaal vakgebied. Joseph Plateau doet wel nog enkele waarnemingen van eclipsen, vallende sterren en het poollicht. Ze zullen het vertrekpunt blijken voor zijn latere vruchtbaar onderzoek naar licht en beweging, maar zijn nooit een onderzoeksobject an sich. In 1874 vraagt de stad aan de universiteit om het bouwvallige observatorium af te breken om ongelukken in de Voldersstraat te vermijden. De resten ervan op het dak van het peristylium zijn nog zichtbaar vanaf de hoek Voldersstraat - Sint-Niklaasstraat.

De telescoop van Van Monckhoven

Astronomische en meteorologische waarnemingen zijn op dat moment een populair tijdverdrijf van de intellectuele burgerij. In Gent is de industrieel en handelaar in fotopapier Desiré Van Monckhoven de trotse eigenaar van een eigen observatorium met een prestigieuze telescoop. Als de Gentenaar in 1882 overlijdt, biedt zijn weduwe de telescoop en het ander instrumentarium aan de universiteit aan. Het kost de universiteit zes jaar om het materiaal af te betalen maar aan het einde van de rit beschikt de universiteit over een uitstekend uitgeruste telescoop met bijhorende oculairen, een bijkomende meridiaankijker, een astronomisch uurwerk, een chronometer, een koepel en voldoende meubels voor een kleine sterrenwacht. Nu het instrumentarium aanwezig is, moet de universiteit op zoek naar een geschikte locatie voor een astronomisch observatorium. Het nieuwe Instituut van de Wetenschappen komt volgens architect Pauli niet in aanmerking: de constructie van de trappenhal is niet stevig genoeg om een observatorium met de telescoop van Van Monckhoven te dragen. Maar de tijd om een oplossing te vinden, dringt: volgens de nieuwe wet op het Hoger Onderwijs uit 1890 moet elke universiteit die een opleiding in de wiskunde of natuurkunde aanbiedt, over een observatorium beschikken.

Het observatorium op het Instituut van de Wetenschappen

Zestien jaar later komt het observatorium alsnog op het dak van het Instituut terecht. De zoektocht naar een geschikte locatie aan de Citadel of in de Ledeganckstraat zijn op niets uitgelopen. In 1904 krijgt het Instituut een extra verdieping voor nieuwe auditoria en een van de centrale kernen wordt zodanig verbouwd dat hij een telescoop kan dragen. De eerste directeur van het observatorium - officieel het 'Station de geographie mathematique' - is professor Louis-Nicolas Vandevyver, die het observatorium met beperkte middelen tot een werkbaar onderzoeksstation uitbouwt. Maar net als zoveel andere wetenschappen in die tijd evolueert de astronomie razendsnel onder invloed van nieuwe technologieën en natuurkundige inzichten. De apparatuur én de ligging in het midden van een verlichte stad, maken dat het observatorium onbruikbaar is voor wetenschappelijke waarnemingen of onderzoek. Het observatorium krijgt enkel een didactische functie. Studenten raken er vertrouwd met het instrumentarium en de praktijk van wetenschappelijke waarnemingen. Vandevyver legt zich vooral toe op de weerkundige waarnemingen en publiceert ze in een meteorologisch jaarboek.

Oerknal en zonnefysica

Na de Eerste Wereldoorlog moet het observatorium verder zonder Vandevyver. In de astronomie verschuift het zwaartepunt van objectieve waarnemingen naar een theoretische benadering en daardoor komt ook de didactische functie van het observatorium in het gedrang. In 1931 zorgt de Leuvense astronoom Lemaître voor een wetenschappelijke doorbraak met zijn bigbangtheorie. In Gent loopt het peperdure project van professor Merlin om een station voor Zonnefysica uit te bouwen in Afsnee af op een sisser. Na een langlopend conflict met ‘beheerder-inspecteur’ Schoep wordt het station gesloten. Merlin wordt, het Nederlands onkundig, vroegtijdig op rust gesteld in de nieuwe vernederlandste universiteit. Een conciërge bewaakt het ontmantelde gebouw.

Big Science

In de jaren vijftig en zestig krijgt het astronomisch onderzoek met de komst van de ruimtevaart een heel ander perspectief. Observatoria worden in een baan rond de aarde de ruimte ingeschoten. Universiteiten en onderzoeksinstellingen verenigen zich om het onderzoek en de kostprijs van het onderzoek beheersbaar te houden. De Gentse onderzoeksgroep sterrenkunde verhuist samen met de faculteit Wetenschappen in de jaren zeventig naar de Sterre. Daar wordt een nieuw observatorium ingericht met moderne instrumenten. Het observatorium in het Instituut en de Van Monckhovetelescoop blijven verweesd achter.

De Vrienden van de Oude Sterrenwacht van de RUG

Eind jaren tachtig is het observatorium vervallen: de meridiaankamertjes zijn verrot, de plafonds vallen in, de koepelmechaniek verroest en de telescoop raakt gecorrodeerd. Op vraag van de dienst gebouwen bezoekt professor Dejonghe het observatorium om de nog bruikbare instrumenten te recupereren, zodat het observatorium kan worden afgebroken. Verbaasd over was hij er aantreft, vraagt Dejonghe advies aan enkele amateur-astronomen. De conclusie is dat de schade aan de infrastructuur groot is, maar dat er aan de instrumenten zelf weinig fundamentele schade is. Ze beslissen samen hun schouders te zetten onder een renovatieplan en richten in 1989 een vereniging op, de Vrienden van de Oude Sterrenwacht van de RUG. Een van de stichtende leden is weerman Armand Pien. De Gentenaar, promotor van de weerkunde en amateursterrenkunde, herinnert zich het observatorium van uit zijn studententijd.

Restauratie

De vereniging slaagt erin om bij de provincie Oost-Vlaanderen en de universiteit middelen vrij te krijgen voor de renovatie van de lokalen en de restauratie van de telescoop. In 1995 draagt de universiteit het beheer van de nieuwe sterrenwacht over aan de vereniging. Het nieuwe observatorium krijgt de naam ‘Volkssterrenwacht Armand Pien’. Iedereen die geïnteresseerd is in astronomie of weerkunde kan er terecht in de bibliotheek of voor kijkavonden, tentoonstellingen, waarnemingsacties en lessenreeksen. De studenten wiskunde en sterrenkunde krijgen er hun lessen en practica over astronomie in de Sterre. De gerenoveerde sterrenwacht is dan wel niet geschikt voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs, voor de popularisering van de wetenschap en amateursterrenkunde is hij uitstekend geplaatst.

[Fien Danniau]

Literatuur

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten