Dambre, Frans (1932-2025)

Op 21 oktober 2025 overlijdt Fans Dambre op de hoge leeftijd van 93. Tot zijn pensioen in 1992 is hij verbonden aan het Seminarie voor Nederlandse Literatuurstudie, de huidige Afdeling Nederlandse Literatuur van de Vakgroep Letterkunde en onderricht duizenden studenten Germaanse filologie. Hieronder volgen twee getuigenissen die naast het universitaire en wetenchappelijk parcours ook de mens Frans Dambre belichten. Yves T'Sjoen, hoogleraar moderne Nederlandse literatuur komt voor het eerst in contact met Frans Dambre als student. alsstudent. Marysa Demoor is emerita hoogleraar Engelse literatuur en leert Frans kennen als flamboyant vertegenwoordiger van het 'wetenschappelijk personeel' in allerlei universitaire raden en commissies. Zelf is ze lid van de Facultietsraad L&W tussen 1987 en 1994.

In 't kort

Frans Dambre wordt geboren in Gentbrugge op 9 oktober 1932. Zij vader Oscar, germanist van opleiding, geeft dan les aan het Gentse Atheneum. Oscar Dambre is reeds activist tijdens WO I en wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog (van 1942 tot 1945) aangesteld als docent Nederlandse taal- en literatuurgeschiedenis aan de universiteit van Hamburg, waarvoor hij veroordeeld wordt, een moeilijke periode in de jeugd van Frans waar hij het niet graag over heeft. Frans studeert in de voetsporen van vader Germaanse filologie aan de Gentse Universiteit en kan na zijn studies aan de slag als leraar aan het Sint-Lucasinstituut in Gent. Vanaf 1964 combineert hij een deeltijdse aanstelling aan Sint-Lucas met een mandaat van assistent Nederlandse literatuur onder de leiding van Prof. Antonin Van Elslander.
Dambre bereidt van 1968 tot 1974 een doctoraat voor over de zeventiende-eeuwse Amsterdamse schrijver Theoderick van Liefvelt en publiceert over Zuid-Nederlandse schrijvers in de vroeg-moderne tijd. In een lemma over Frans Dambre in het Universiteitsarchief staat opgetekend: “Bij het verstrijken van de wettelijk voorziene termijn van assistent was het doctoraat niet klaar, maar Dambres wetenschappelijk werk werd door de Raad van Beheer (15 maart 1974) gelijkwaardig verklaard met een doctoraatsproefschrift. [Het doctoraat op artikels] stelde hem in staat om zijn wetenschappelijke carrière aan de Gentse universiteit voor te zetten als eerstaanwezend assistent (1 april 1974-28 februari 1981) en werkleider (1 maart 1981-31 oktober 1992)”. In november 1992 gaat Frans met vervroegd pensioen in het kader van een grondige herstructurering van de Gentse universiteit.

Yves T'Sjoen getuigt

Frans Dambre als lesgever

Eerst als student Germaanse filologie in de eerste kandidatuur, vanaf 1989 als gewetensbezwaarde in dienst van het Seminarie voor Nederlandse Literatuurstudie en later door Prof Anne Marie Musschoot als FKFO-medewerker aangesteld in 1991, mocht ik Frans Dambre leren kennen. Wat studenten van vorige generaties en ook van mijn generatie zich vandaag herinneren van de oefeningen Nederlandse literatuur zijn Dambres werkcolleges over dichters van de vroeg-moderne periode, zoals P.C. Hooft, en vooral en telkens weer over Justus de Harduwijn, een zeventiende-eeuws rooms-katholiek priester-dichter, bekend van de petrarkistische sonnettenkrans De Weerliicke Liefden tot Roose-mond (1613), een bundel met renaissancistische liefdeslyriek. Dambre heeft zich in zijn jaren als werkleider-docent toegelegd op het werk van De Harduwijn, imitatio-poëzie naar Griekse, Latijnse en Franse bronnen, niet te vergeten ook geïnspireerd door Jonker Jan van der Noot, gedichten die hij plechtstatig, met gedragen stem en zin voor retorica voordroeg in de lessen. Inclusief de talrijke exclamaties en de repetitieve o-klank waarmee de deerne Roose-mond bewonderend wordt toegezongen. Wie van die vorige generaties studenten Nederlands herinnert zich niet het “blond-gestruiveld haar” en de “oogskens” van Roose-mond, lichamelijke motieven “als bronnen van betovering, teleurstelling en hunkering” van het sprekende ik.

O blond-gestruiveld haar! haar dat de Zonn’ beraait,
dat mijn jonk-jarig hert houdt zo strange bevangen.
O tanden van ivoor! o sneewwittige wangen,
die t’pinceel van Apell’ met purper heeft befraaid!
O lipjes daaruit dat liefde zijn schichten zaait!
O mond daaruit dat stort de jeugd haar zoete zangen.
O wel-besneden hand, die om mijn pijn t’herlangen
ontsteekt van nieuws de toorts, die eens was uitgewaaid.
O oogskens, biênde vreugd en droefheid van gelijke!
O borstjens die bezit Cupido voor zijn rijke!
O keel, diens zoet geluid zolang in d’ore blijft!
O kuskens, die mij dwaas ijdel troost-hope geven!
O zoet-zurige spraak, die nu smeekt, en nu kijft!
Gij doet mij duiz’maal s’daags hersterven en herleven.

De Harduwijn

Met zijn belangstelling voor renaissancistische poëzie uit de Zuidelijke Nederlanden en meer specifiek voor de literaire productie van Justus de Harduwijn plaatste Frans Dambre zich in een lange traditie aan onze universiteit. Er zijn generaties studenten Nederlandse literatuur in Gent die in de werkseminaries van Dambre het personage Roose-mond leerden kennen. Al vanaf de negentiende eeuw kon Justus de Harduwijn in onze opleiding op aandacht rekenen. Zo vond ik in mijn speurtocht dat “de eerste hoogleraar Nederlands aan de in 1817 gestichte Rijksuniversiteit Gent, Johannes Schrant, zich al voor De Harduwijn had geïnteresseerd. Bij zijn openingsrede in 1818 besteedde hij er aandacht aan”. En “in de twintigste eeuw was er [méér] academische belangstelling voor Justus de Harduwijn, aangestuurd vanuit de Vlaamse beweging.” Hoogleraren Nederlandse letterkunde in Gent die in hun wetenschappelijk onderzoek en academisch onderwijs De Harduwijn een belangrijke positie toedichtten, zijn onder anderen Robert Foncke, hoogleraar Duitse literatuur en in de jaren dertig decaan van deze faculteit, en Karel van de Woestijne, honderd jaar geleden hoogleraar Nederlandse letterkunde. “Van de Woestijne was bekend met het werk van De Harduwijn en besteedde tijdens zijn colleges aandacht aan de dichter. Volgens Van de Woestijne is de poëzie van De Harduwijn een uiting van ‘zijn persoonlijkheid, geschreven met liefde voor het leven, de natuur, de mens én geïnspireerd door zijn priesterlijk ambt’”. Wie vooral veel heeft betekend voor het renommee van de renaissancedichter aan de UGent waren vader en zoon Oscar en Frans Dambre. De vader van Frans, de Vlaams-nationalistische Oscar Dambre, is in de passie voor De Harduwijn zijn zoon voorgegaan. Ik citeer uit de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging: “Voor de receptie van Justus de Harduwijn is vooral de Vlaamsgezinde letterkundige Oscar Dambre (1896-1972) tot op vandaag bepalend geweest. Tussen 1920 en 1972 publiceerde hij meer dan veertig keer over Justus de Harduwijn. Dambre studeerde na zijn tijd als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog onder andere bij Karel van de Woestijne in Gent, die hem diepgaand beïnvloedde en bijstond bij zijn dissertatie over De Harduwijn”. Niet zoals Oscar Dambre, zo herinner ik mij uit de colleges van veertig jaar geleden, las Frans de sonnetten biografisch, als getuigenissen van een “onbeantwoorde amoureuze escapade van Justus de Harduwijn in zijn jeugdjaren”. Wat mij vooral bijblijft, zijn naast het vlekkeloos Nederlands van Frans Dambre, ook toen hij college gaf over De Harduwijn of P.C. Hooft, de verstechnische, diepgravende en thematische lezingen van de besproken gedichten. Net als voor zijn vader was Justus de Harduwijn voor Frans naast een groot dichter ook “een minnaar van zijn eigen moedertaal die zich afzette tegen de humanisten die Latijn schreven” en een voorstander van de Groot-Nederlandse gedachte. Daarover is wel eens opgemerkt dat Oscar Dambre “op een anachronistische manier zijn eigen Vlaamsgezinde gedachtegoed [projecteerde] op De Harduwijn”.

Oscar Dambre, in de Tweede Wereldoorlog in de collaboratie verzeild geraakt, was de tekstbezorger van De Harduwijn en zijn zoon Frans, assistent en werkleider aan de UGent, heeft voor zijn seminaries die edities gebruikt. Het is de verdienste van Frans dat de academische nalatenschap, onder meer de bibliotheek, van zijn vader terecht kwam aan de universiteit. In een bijdrage over de boekencollectie van het Seminarie voor Nederlandse Literatuurstudie staat vermeld: “In de jaren 1960 kent de collectie van de Seminariebibliotheek Nederlandse Letterkunde – die aanvankelijk slechts een tiental kasten telt – een aanzienlijke expansie. Stuwende krachten hierbij zijn onder meer Antonin van Elslander, Ada Deprez, Frans Dambre en Tuur Van Wallendael”.
 

Marysa Demoor getuigt

Bestuursmandaten

Frans Dambre is jarenlang lid van de Raad van Bestuur, sinds 1974, en van het Vast Bureau van de Universiteit als vertegenwoordiger van het wetenschappelijk personeel. Hij was lid van de socialistische vakbond ACOD en zetelde in die hoedanigheid in het hoogste bestuursorgaan van onze alma mater. Vooral tijdens het rectoraat van Leon De Meyer (1985-1993) speelt Frans een niet te onderschatten rol, in samenspraak met De Meyer en versterkt door de wederzijdse appreciatie.

Samen vóór het W(etenschappelijk) P(ersoneel)

Frans was de drijvende kracht van de WP-vergaderingen van de faculteit. In die vergaderingen konden tijdelijke zowel als vastbenoemde assistenten hun persoonlijke problemen aankaarten in de context van hun aanstelling. De WP-vertegenwoordiging maakte het bijvoorbeeld tot hun opdracht om grensoverschrijdend gedrag (nog niet bekend onder die naam), gebrek aan respect, erkenning van de inzet van assistenten, en misbruik van bestaande academische regels, op de faculteitsraad aan te kaarten. In zijn functie als vakbondsvertegenwoordiger en verdediger van de rechten van collega’s die zgn zwarte lesopdrachten kregen of op andere manieren onzichtbaar werden ingezet, was Frans een uiterst mondige aanwezigheid op de faculteitsraden. Samen met de al even strijdvaardige Koen Raes leidde hij de WP-vertegenwoordiging in hun vergaderingen en op de faculteitsraden. Geen decaan kon hen tegenhouden. Nieuwe facultaire beslissingen die kwetsbare collega’s konden “vernietigen” werden met veel zwier en lawaai boven de gekende faculteitstafel in stukken gescheurd. Stemmingen die indruisten tegen wat Frans collegialiteit en menselijkheid zou noemen werden door de WP geleding tijdens zo’n stemming tegengewerkt. Zo verzette hij zich steevast tegen halftijdse benoemingen omdat die de persoon in kwestie geen kans gaven om een onderzoeksdossier uit te bouwen of een doctoraat af te werken binnen de toegestane zes jaar. Na een geanimeerde confrontatie, zou de WP geleding op het signaal van Frans, de zaal in groep verlaten tot consternatie van de decaan en de leden van de faculteitsraad.
De andere Frans, die die men leerde kennen in zijn jaren van collegiale betrokkenheid, was een warme, hartelijke man die bezorgd was als men problemen had en daaraan iets probeerde te doen (daden dus, niet enkel woorden). Die hartelijkheid kwam ook naar boven bij het afscheid van Decaan Leon De Meyer die rector werd in 1985. Frans zong tijdens een uitbundig afscheidsfeest en na zijn speech ter ere van Prof De Meyer, een lied gebaseerd op de melodie van "Una Paloma Blanca" met een tekst die de nieuwe rector beschreef als “Oh mijne blauwe geschelpte”.  De titel geeft de politieke kleur aan van de rector, de tekst was een onverhulde sympathieverklaring van Frans niettegenstaande die zelf eerder rood was van politieke kleur.  De collegiale sympathie oversteeg de politieke verschillen;

Yves T'Sjoen besluit het in memoriam tijdens de Faculteitsraad (5.11.2025)

Als bestuurslid van de Universiteit Gent, ook als assistent Nederlandse literatuur met specialisatie zeventiende-eeuwse literatuur en als rabiaat voorvechter van het Nederlands heeft Frans een betekenisvolle rol gespeeld. Frans Dambre was vele jaren lid van de vrijmetselaarsloge Bevrijding. Hij is de vader van Wouter, Maarten en Ina Dambre, trouwens een jaargenote van mij. Frans Dambre is op 9 oktober jongstleden vredig ingeslapen in Gent. We zullen de oud-collega herinneren als een bijzonder aanwezige persoonlijkheid, en zijn vaak hooggestemde tussenkomsten in vergaderingen en tijdens nieuwsjaarbijeenkomsten van het Seminarie. Al even notoir zijn de bulderlach, de geestigheden en speels-scabreuze toespelingen die gesprekken typeerden.
De toorts is dan nu wel uitgewaaid, voor altijd staan de dictie van De Harduwijns amourettes en de ondeugende pret-“oogskens” van Frans Dambre in het collectieve geheugen van deze faculteit gegrift. De herinneringen, zo citeer ik uit de slotregel van het sonnet voor Roose-mond, [doen Frans Dambre] “duiz’maal s’daags hersterven en herleven”.

 

Yves T'Sjoen en Marysa Demoor
november 2025-mei 2026

Hoe verwijs je naar dit artikel?
T'Sjoen, Yves. Demoor, Marysa. “Dambre, Frans (1932-2025).” UGentMemorie. Laatst gewijzigd 28.05.2026. http://www.ugentmemorie.be/personen/dambre-frans-1932-2025.

 

Bibliografie

https://bgg.ugent.be/docs/in_memoriam_Frans Dambre.pdf

 

 

 

 

Deel deze pagina: