Home > Artikel > Universiteitsbibliotheek

Universiteitsbibliotheek

Niemand weet precies over hoeveel boeken en tijdschriften de universiteitsbibliotheek beschikt. De ontelbare exemplaren zitten verspreid over de Boekentoren, de faculteitsbibliotheken en de tientallen seminariebibliotheken. Het hart van het bibliotheeknet, dat zich meer en meer digitaal uitstrekt, klopt in de Boekentoren. Net als andere universiteiten koestert de UGent haar Centrale Bibliotheek als een symbolisch en ruimtelijk middelpunt.

Stadsbibliotheek

De eerste bibliotheek van de Gentse universiteit in de Baudelookapel combineert aanvankelijk haar functie van universiteitsbibliotheek met die van stadsbibliotheek. De stadsbibliotheek in de Baudelokapel aan Sint-Jacobs bestaat amper twintig jaar als ze in 1818 officieel wordt overgedragen aan de nieuwe rijksuniversiteit. Het gebouw, de boeken en het meubilair gaan kosteloos over naar de nieuwe eigenaar, met als enige voorwaarde dat de bibliotheek moet openblijven voor het Gentse publiek. De universiteitsbibliotheek is dus van bij haar ontstaan een openbare bibliotheek met een publieke functie. Magistraten, schrijvers, advocaten en liefhebbers komen er publicaties raadplegen; verenigingen en organisaties houden er af en toe een tentoonstelling. De bibliotheek herbergt trouwens veel meer dan wetenschappelijke boeken. In de collectie bevinden zich ook schilderijen, bustes, gravures en handschriften. Die zijn gedeeltelijk nog een erfenis van de confiscaties van kerkelijke goederen ten tijde van de Franse Revolutie. Haar functie van stadsbibliotheek maakt dat de Baudeloobibliotheek in de loop van de decennia verschillende schenkingen van Gentenaars en verenigingen kan ontvangen. Zelfs het stadsarchief deponeert er – tijdelijk – een deel van haar archief, waaronder de verzameling grafische documenten bekend onder de naam Atlas Goetghebuer. In 1909 komt er een collectie medailles van het stedelijk archeologisch museum terecht.

Verwetenschappelijking van de universiteitsbibliotheek

De Academische Raad spreekt zich in 1911 uit voor een nieuwe bibliotheek. De Baudeloobibliotheek is niet alleen te vochtig, te klein en te bouwvallig, ze beantwoordt evenmin aan de nieuwe wetenschappelijke standaarden die universiteiten zichzelf sinds het einde van de negentiende eeuw opleggen. De Raad ziet het als zijn plicht actie te ondernemen, want anders zou hij de missie verraden ‘qui est confiée aux Universités de veiller au maintien et à la diffusion de la haute culture scientifique’. In de jaren 1930, veel later dan de betrokkenen hadden gehoopt, verrijst er op de Blandijnberg een nieuwe bibliotheek. In het aanloopproces naar deze Boekentoren, verliest de universiteitsbibliotheek haar functie als stadsbibliotheek. De hoofdreden is dat het stadsbestuur sinds 1928 niet langer bij wet verplicht is om financieel bij te dragen aan de gebouwen van de universiteit. Gezien hun uiteenlopend doelpubliek en verschillende taakomschrijving zien beide partners het voordeel in van een apart bibliotheekbeleid. De strijd om de vernederlandsing van de universiteit die, tegen de wil van het Gentse stadsbestuur in, in 1923 gedeeltelijk en in 1930 volledig wordt bewerkstelligd, heeft de liefde tussen stad en universiteit trouwens wat bekoeld. De scheiding van stads- en universiteitsbibliotheek heeft uiteraard gevolgen voor de collectie. Het stedelijk archief verhuist in 1935 naar een nieuw onderkomen in de Abrahamstraat en populariserende boeken en tijdschriften verhuizen niet mee naar de Boekentoren. De stedelijke subsidie voor de aankoop van publicaties over Gent en door Gentenaars, de zogenaamde Gandavensia, wordt teruggeschroefd.

Centrale Bibliotheek

De Boekentoren legt zich helemaal toe op haar wetenschappelijke taak en groeit uit tot symbool van de vernieuwde vernederlandste universiteit. De belangrijkste functie die de universiteitsbibliotheek wil vervullen is die van contactpunt tussen enerzijds de academische instituten en afdelingen en anderzijds de universiteit en de maatschappij. Het personeel en de academische overheid investeren in de ontsluiting en toegankelijkheid van de collectie via een centrale catalogus, een interuniversitaire bruikleendienst en reproductietechnieken. Met succes, want de bibliotheek ziet haar bezoekersaantal sterk toenemen. Terwijl de Baudeloobibliotheek ongeveer 10.000 bezoekers per jaar ontving, krijgt de nieuwe Boekentoren er algauw 50.000 over de vloer. Wat de universiteitsbibliotheek niet, of toch niet uitsluitend wil zijn, is de vergaarbak van wat in de vakbibliotheken heeft afgedaan. Die vakbibliotheken zijn een bijzonderheid van de Gentse universiteitsbibliotheek. In de meeste universiteiten, en zeker de campusuniversiteiten, zit de volledige collectie immers gecentraliseerd in een centrale bibliotheek, terwijl in Gent een vijfde van de collectie buiten de Boekentoren bewaard wordt.

Seminariebibliotheken

De tientallen vakgroepbibliotheken die de universiteit tot op vandaag telt, zijn het resultaat van het in de negentiende eeuw ontstane proefondervindelijk onderwijs met praktijkoefeningen. Hoogleraren ontlenen voor hun praktijklessen op lange termijn boeken uit de afgelegen Baudeloobibliotheek. Wat begint als een praktische regeling, ontspoort tot een handelsmerk als binnen de faculteiten, instituten en laboratoria handbibliotheken groeien met referentiemateriaal en specifieke collecties. Vooral in de faculteiten Letteren en Wijsbegeerte en Rechtsgeleerdheid ontstaat een traditie van seminarieoefeningen tussen de boeken en de bronnen. In de loop van de jaren zijn deze vakbibliotheken in omvang en aantal sterk gegroeid en uiteindelijk telt de universiteit anno 2000 meer dan 300 seminariebibliotheken die vaak nog eens verspreid zijn over verschillende lokalen. Enerzijds zijn de seminariebibliotheken erg waardevol aangezien ze specifieke wetenschapsdomeinen ontsluiten tot de recentste literatuur toe en zeer dicht bij de geïnteresseerde gebruikers staan. Maar anderzijds worden publicaties in de seminariebibliotheken vaak niet gecatalogeerd, worden ze zowel voor de seminariebibliotheken als de centrale bibliotheek aangekocht en nemen ze indirect kostbare budgetten van de centrale bibliotheek af. Op het einde van de twintigste eeuw zorgt het nijpend plaatsgebrek als gevolg van de stijgende studentenpopulatie er bovendien voor dat er in de bibliotheeklokalen dikwijls les wordt gegeven. De toegankelijkheid van de vakbibliotheken, het oorspronkelijke doel, komt onder druk te staan als al die verschillende bibliotheken behalve een eigen plaatsings- en catalogiseringssysteem nu ook eigen openingsuren hanteren.

Faculteitsbibliotheken

Tegelijkertijd met de onpraktische en versnipperde seminariebibliotheken, wordt de universiteit geconfronteerd met de beperkingen van de Boekentoren. Die raakt zo stilaan vol. De universiteit gaat over tot een bibliotheekplan waarbij de centrale rol van de Boekentoren verschuift naar de faculteiten en tegelijkertijd het aantal seminariebibliotheken wordt teruggebracht. Studenten van de campussen buiten de universiteitswijk aan de Blandijnberg hoeven zo voor hun literatuur niet langer naar de centrale bibliotheek te lopen of, in het andere geval, een voor een de verschillende seminariebibliotheken te bezoeken. De hele operatie is een lopend meerjarenplan met een aaneenschakeling van bouw-, verhuizing-, verbouw- en herschikkingfases. Voor de centrale bibliotheek is hierin een belangrijke coördinerende en adviesgevende functie weggelegd.

Digitale bibliotheek

De grote revolutie binnen het bibliotheekwezen is niet zozeer de ruimtelijke reorganisatie maar wel de digitalisering. De invoer, de ontsluiting, de zoek- en vindbaarheid van collecties over heel de wereld is in een aantal jaren voorgoed veranderd. De Gentse universiteit start in 1985, dat is tien jaar na de Leuvense universiteit, met het systematisch invoeren van nieuwe aankopen in een digitale catalogus. Aanvankelijk via cd-roms en een lokaal netwerk maar uiteindelijk via het internet, zijn duizenden bronnen, naslagwerken en tijdschriften consulteerbaar. De meest recente stap in het digitaliseringsproces van de UGent is de samenwerking met Googlebooks. 300.000 boeken waarop geen copyright meer rust worden integraal gedigitaliseerd, gratis aangeboden op het internet en voorgoed bewaard voor de toekomst. De Boekentoren is de voorbije jaren voluit op de digitale kar gesprongen en speelt een actieve rol in internationale discussies en projecten rond digitale conservering en ontsluiting van boeken, tijdschriften, beeld, geluid en iconografisch materiaal.

De bibliotheek van de toekomst

Nu het aankoop- en organisatiebeleid doorschuift naar de faculteitsbibliotheken en de digitalisering de conservering van het boekenmagazijn lijkt veilig te stellen, kun je de vraag stellen of de centrale bibliotheek in de toekomst nog een rol zal te vervullen hebben. Natuurlijk wel! De universiteitsbibliotheek moet zich constant aanpassen aan onderwijskundige, wetenschappelijke en technologische evoluties, maar haar functie blijft door de jaren heen eigenlijk dezelfde: zorg dragen voor de wetenschappelijke communicatie naar studenten en onderzoekers toe. Dat doet ze vandaag enerzijds door de zeer rijke en kostbare erfgoedcollectie optimaal te bewaren en te ontsluiten, anderzijds door de kern van de digitale bibliotheek te zijn. Sinds een aantal jaar krijgen universiteitsbibliotheken trouwens te maken met een nieuw fenomeen: op de vlucht voor de verlokkingen van het internet komen studenten er massaal studeren in de grote leeszalen. De grote uitdaging van de huidige universiteitsbibliotheken en ook van de restauratie van de Boekentoren, is daarom vooral om ruimtes en voorzieningen flexibel aan te bieden aan de verschillende gebruikers.

[Fien Danniau]

Literatuur

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten

Herinneringen

Robert Foncke vertelt dat de seminariebibliotheken ali n 1910 werden gebruikt als leslokaal

'Deze zo nuttige seminarieboekerijen waren slechts in de jongste jaren ingericht; men vertelde dat in hun ontstaan prof. Henri Pirenne de doorslaggevende hand had gehad en wel volgens wat hij op dit gebied in universiteiten van Duitsland had zien tot stand brengen. Sommige hoogleraren benuttigden de lokaaltjes voor hun lessen en keken ons maar bars aan, als we er op onze tenen doorheen schoven om naast de deur aan de arbeid te tiegen.'

(Professor Robert Foncke, student in Gent in 1907-1910)

uit: Robert Foncke, ‘Herinneringen van meer dan vijftig jaar geleden’, in: De Brug, 4, 1960, pp. 238-249.