Thiery, Leo Michel (1877-1950)

Leo Michel Thiery is een spilfiguur uit de intellectuele geschiedenis van Gent. De vurige en gerespecteerde pleitbezorger van de wetenschapsbeoefening koos zelf voor een leven als onderwijzer. Eerst in de volksschool van de Geitstraat en later in zijn Schoolmuseum, plantte hij als een ware apostel het zaad van de wetenschap bij de Gentse jeugd.

Encyclopedisch onderwijs

Leo Michel Thiery groeit op als zevende kind in een eenvoudig gezin uit de Gentse Koolsteeg. Als primus bemachtigt hij een beurs voor hogere studies aan de Normaalschool. Hij gaat aan de slag als onderwijzer van de zesde klas van de nieuwe Gemeenteschool in de Geitstraat, een volksschooltje te midden van een arbeiderswijk. Thiery vindt dat de geldende onderwijsmethodes te veel de nadruk leggen op prestatie en kennis in de enge zin van het woord – iets waar de arbeiderskinderen in zijn klas, die slechts tot hun twaalfde naar school zullen gaan, niet veel aan hebben. Hij gaat daarom op zoek naar alternatieve lesmethodes. De onderwijzer stouwt zijn klaslokaal vol met allerhande wandplaten, kaarten, planten, stenen, aquariums, insectendozen en modellen en op de speelplaats legt hij een klein tuintje aan. Als een van de eerste Belgische onderwijzers gaat Thiery met zijn klas op excursie: naar de plantentuin van de universiteit, naar de Vlaamse Ardennen, naar het Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel, naar het bos enz. Van de liberale onderwijsschepen Cambier krijgt Thiery de opdracht schoolmateriaal zoals wandplaten, kleutermateriaal en natuurkundige instrumenten aan te kopen en uit te testen ten behoeve van andere scholen die een aankoop overwegen.

In 1914 publiceert Thiery zijn ideeën over onderwijs en pedagogie in zijn boek Encyclopedisch Onderwijs. Als alternatief voor gescheiden en onafhankelijk van elkaar gedoceerde leervakken, propageert Thiery om thema’s uit de leefwereld van de kinderen ‘concentrisch’ uit te werken over alle leervakken heen en via verschillende activiteiten. Onderwijs moet uitgaan van de belangstelling en verwondering van het kind, zo staat er. Thiery is een practicus: hij legt in zijn publicatie geen link naar verwante ideeën van andere pedagogen maar werkt wel een ambitieus jaarprogramma uit met dertig typelessen. Via artikels en lezingen en via het circuit van het Algemeen Paedologisch Gezelschap verkondigt Thiery zijn ideeën over encyclopedisch onderwijs.

Een flinke vrouw en drie zonen

Op zijn school in de Geitstraat heeft Michel Thiery ondertussen zijn oog laten vallen op kleuteronderwijzeres Maria Augusta De Taeye. Ze is een van De Flinken, een heterogeen clubje van Gentse feministen dat samenkomt om te spreken over literatuur en maatschappelijke thema’s en om elkaar te stimuleren in zelfontplooiing. De Flinken openen ook een kinderbibliotheek in de Geitstraat waarvan de collectie een weerspiegeling vormt van hun ideeën. Onder de leden van de club zijn verschillende van de eerste vrouwen die studeren aan de Gentse universiteit. Ook Augusta De Taeye. Na haar huwelijk met Leo Michel Thiery in 1911 start ze een kandidatuur aan het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding. Later in haar carrière zal ze inspectrice van het Rijksonderwijs worden. Het koppel Thiery krijgt drie zonen: Herman, Michel en Leo. De eerste zal bekend worden als de schrijver Johan Daisne, de tweede zal als professor-gynaecoloog verbonden aan het UZ tienduizenden Gentenaars ter wereld helpen.

Een koppel in een intellectueel netwerk

Hoewel zijn werkgever geen effectief lidmaatschap toestaat, maakt het koppel Thiery deel uit van het intellectuele netwerk rond Reiner Leven. Dit Gents Lebensreformgenootschap gesticht door wetenschapshistoricus George Sarton verzamelt kunstenaars, schrijvers en wetenschappers rond thema’s als vegetarisme, feminisme, pacifisme en de theosofische geschriften van Leo Tolstoj. De Thiery’s raken niet alleen bevriend met George Sarton en diens vrouw Mabel Elwes maar bouwen ook relaties op met andere studenten en professoren van de universiteit. Een van die vriendschappen, die met professor Dierkunde Victor Willem, zal Michel Thiery naar een volgende episode in zijn carrière loodsen.

Het Schoolmuseum: een grandioze one-man-show

In het najaar van 1922 wordt de dierkundige collectie van Victor Willem opgedoekt. Samen met oud-schepen Cambier dient Thiery een verzoek in bij het stadsbestuur om deze universitaire collectie met het door Thiery verzameld schoolmateriaal te verenigen in een stedelijk onderwijsmuseum. Nog voor de gemeenteraad officieel beslist tot de oprichting van het Schoolmuseum, op 16 oktober 1922, zijn beide collecties al verhuisd naar de voormalige letterzetterschool in het Berouw. Thiery wordt snel daarna benoemd als conservator. Doelstelling van het museum is om de wetenschappen te propageren onder de Gentse jeugd. Voor Thiery biedt het Schoolmuseum een mogelijkheid om zijn onderwijsproject in de volksschool van de Geitstraat op grotere schaal te organiseren.

Politiek en intellectueel Gent is het project en zijn conservator genegen. De weduwe van de biologieprofessor Julius Mac Leod, een persoonlijke vriend en mentor van Thiery, schenkt diens privécollectie schelpen, mineralen en insecten aan het museum. Thiery polst ook bij andere hoogleraren naar privécollecties. Als het museum in 1924 opent kunnen schoolklassen er negen themazalen bewonderen. Vier daarvan zijn genoemd naar Gentse hoogleraren: zaal Mac Leod (schelpen), Victor Willem (zoogdieren, vissen en vogels), Joseph en Felix Plateau (natuur- en scheikunde) en Henri Pirenne (geschiedenis en beschaving).

Thiery leidt in het Schoolmuseum jaarlijks enkele honderden klassen uit het vrije en gemeenschapsonderwijs rond. In het weekend stelt hij het museum open voor andere groepen en organiseert hij lezingen voor Gentenaars – evenwel zonder een buitensporige toeloop.

Het Gentse Schoolmuseum van Thiery is niet het enige Schoolmuseum in België op dat moment maar het wijkt er in opzet wel van af. Het Gentse Schoolmuseum is in feite een omvangrijk klaslokaal waar Thiery als enige onderwijzer de lessen geeft. Met de ‘School’ in de term ‘Schoolmuseum’ wil Thiery het opvoedkundig karakter van de natuurkundige collecties benadrukken en niet zozeer aansluiting vinden bij de andere schoolmusea. Die zijn ‘standaard’ te omschrijven pedagogische documentatiecentra waar een scala aan en het gebruik van leermiddelen- en instrumenten wordt gepresenteerd.

Een unieke heemtuin in het hart van een volkswijk

Nog een verschil met de andere Schoolmusea is de aanwezigheid van de Tuin. Rond zijn museum en in het midden van een industriële volkswijk legt Thiery een heemtuin aan van 7.500 vierkante meter. Een 1000-tal plantenvariaties zijn er geordend in natuurlijke en kunstmatige groepjes. Thiery legt er behalve een boomgaard, groentetuin en vijver, ook alpen-, duinen-, steppe-, en Ardeense landschappen aan. De zaden verzamelt hij zelf tijdens de gezinsvakanties en worden hem toegestuurd door zijn vrienden.

Thiery is op dat moment een gevestigde waarde in de kringen van het Gentse Kruidkundig Genootschap Dodonaea. Hij trad al toe in 1902 onder impuls van Mac Leod, hij schrijft er bijdragen en geeft uiteenzettingen. Thiery is al sinds zijn kinderjaren gefascineerd door de plantenwereld: als kleine knaap loerde hij door het raam van de broeikassen van de Baudelootuin naar exotische flora. In de nieuwe plantentuin van de universiteit aan het Citadelpark mag Thiery van directeur Mac Leod de lokalen en kabinetten van het Botanisch Instituut gebruiken. Jarenlang spijkert hij er elke zaterdag zijn botanische kennis aan.

De romantische maar ook weemoedige ziel van Thiery vindt in de natuur rust en poëzie. De afbraak van het natuurschoon door de geïndustrialiseerde maatschappij raakt hem diep en hij is een van de eersten die het ‘vandalisme’ tegen de natuur openlijk aanklaagt. Zijn ecologisch bewustzijn kan echter niet op al te veel begrip rekenen van tijdgenoten.

Een dichter en apostel der wetenschap

Tien jaar na de dood van Thiery in 1950 sluit het Schoolmuseum de poorten. De tuin, de gebouwen, de collectie, maar ook het museale concept is versleten. Het tentoonstellen van oneindige reeksen wandplaten en objecten kan het naoorlogse publiek niet langer bekoren. Mede dankzij de vzw Vrienden van het Schoolmuseum Michel Thiery, maar zonder de beschadigde en beschimmelde collectie, krijgt het museum in 1970 een tweede leven in de Sint-Pietersabdij. Ook de tuin wordt uiteindelijk gered, geklasseerd en heringericht naar de geest van Thiery dankzij de inspanningen van vrienden-Gentenaars, journalisten en professoren. Tuin en Museum zijn vandaag gekend als De Wereld van Kina, natuurmuseum voor kinderen en jongeren.

Het wetenschappelijk en literaire nalatenschap van Thiery is ondergeschikt aan de indruk die hij in de stad en haar bewoners heeft nagelaten. ‘Ook de nuchtersten noemden hem een apostel’, zo schreef Johan Daisne op de gedenksteen van zijn vader – Thiery wilde gecremeerd worden. Michel Thiery predikte wetenschap als was het een religie. Tot vandaag leeft zijn erfenis in Gent.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis UGent
19 april 2012

 

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Thiery, Leo Michel (1877-1950)." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 01.04.2015. www.ugentmemorie.be/personen/thiery-leo-michel-1877-1950

Bibliografie

Boriau, Jolien. "May Sarton en haar Belgische intellectuele netwerk." Masterproef, Universiteit Gent, 2010.

Catteeuw, Karl. "Als de muren konden spreken... Schoolwandplaten en de geschiedenis van het Belgisch lager onderwijs." Masterproef, Universiteit van Leuven, 2005.

Desmet, Jan. De Natuur als Assepoester : leven en werken van Michel Thiery. Brugge: Van de Wiele, 1988.

De Weerdt, Denise. "De Sartons en België." Brood en Rozen, 1 (1999): 53-71.

Simon-Van der Meersch, Anne-Marie. De eerste generaties meisjesstudenten aan de Rijksuniversiteit te Gent. (1882/1883 Tot 1929/1930). Gent: RUG. Archief, 1982.

Thiéry, Leo Michel. De Plantentuin van het stedelijk Schoolmuseum te Gent : Een jaarkring : Gids voor den bezoeker. Gent: Stadsbestuur, 1941.

Thiéry, Leo Michel. Encyclopedisch Onderwijs. Gent: Hoste, 1914.

Thiéry, Leo Michel. Bij de 150e verjaring van de Plantentuin der Universiteit van Gent (1797-1947). Gent: Snoeck-Ducaju, 1947.

Verbruggen, Christophe. "'Vrouwelijke' intellectuelen en het Belgisch feminisme in de belle époque." Verslagen van het Centrum voor Genderstudies – UGent, 17 (2008): 9-27.

Verbruggen, Christophe. "Het egonetwerk van Reiner Leven en George Sarton als toegang tot transnationaal intellectueel engagement." BTNG-RBHC, 38 (2008: 1-2): 87-129.
www.dewereldvankina.be

Type persoon: 
Deel deze pagina: 

Herinneringen

Botanicus Michel Thiery beschrijft de seizoenen in de Plantentuin

‘Dagen lang raast en buldert de herfststorm. Is hij gestild, dan ziet men duidelijk de sporen, die hij heeft achtergelaten: bosgrond, -wegen en grasland zijn bezaaid met dode takken en dode twijgen; verschrompelde bladeren en losse bladstelen; stukken boomschors; naalden van Dennen, Ceders en Cypressen...’
‘Verrukkelijk mooi is het bos, wanneer bomen en heesters wit berijpt zijn, een blanke sprei de bodem bedekt, en het bleke zonnelicht vonkelt in millioenen (sic) ijskristalletjes. Soms omhult grijze nevel de klamme boomstammen, en het is voornamelijk in die uren, dat de eenzame wandelaar de grote rust voelt, die daar heerst: winterrust.’

‘ Op de bank nedergezeten, is het een rein genot naar al het mooie te kijken, dat de vijver en zijn omgeving te zien geven, natuurlijk als het weer gunstig is. Nu en dan rolt daverend een tram of een camion voorbij, maar onmiddellijk daarna is het hier heerlijk rustig, en bijna plechtig stil. Vogels kwelen, de zonneschijn wiegelt op de boomgroepen – wij zijn immers in de juni-maand – en wolkjes van zoete geuren zwerven ons voorbij. Zij komen van de bloeiende Acacia’s, die overal in het Park, en ook hier in de tuin, de grond met de sneeuw van hun afgevallen kroontjes bestrooien.’

(Leo-Michel Thiery, directeur van het Gentse Schoolmuseum en trouwe bezoeker van de Plantentuin in 1947.)

uit: Michel Thiery, Bij de 150e verjaring van de Plantentuin der Universiteit van Gent (1797-1947), Gent, 1947, pp. 80, 81, 51.