Dialectologie aan de UGent. Een korte geschiedenis.

Dialectologie

Met dialectologie wordt de studie van de geografisch gedetermineerde taalvariatie bedoeld. In wat volgt, vat ik de term dus op als de naam voor bestudering van de oraal overgeleverde, niet gecodificeerde en geografisch gedifferentieerde taalvormen, die de moedertaal waren van het grootste deel van de Vlaamse bevolking tot de jaren 60 van de vorige eeuw. Het feit dat die taalvormen niet gecodificeerd zijn, en ons vanuit een ver verleden zijn overgeleverd, verklaart het wetenschappelijk belang ervan. De taal als menselijk verschijnsel, met inbegrip van de studie van taalverandering, kan immers het beste bij niet-gecodificeerde taalvormen bestudeerd worden. De taalgeschiedenis van het Nederlands kan overigens niet zonder de dialectologie beschreven worden. 

Een erg algemene misvatting is dat dialecten ontstaan zijn door 'verbastering' van de Nederlandse cultuurtaal door ongeletterde mensen. Uiteraard spraken de Vlamingen vroeger geen A.N., dat dan achteraf door verloedering dialect is geworden. De huidige dialecten gaan terug op de Middelnederlandse en Oudnederlandse voorgangers ervan, en bevatten daardoor dikwijls kenmerken die in het A.N. verdwenen zijn, maar van belang zijn voor de reconstructie van oude taalfasen. Wel is het zo dat dialect sociaal gestigmatiseerd is: men kan niet in elke situatie dialect praten. Dialect is de taal van de kleinschaligheid (familie, vrienden, eigen gemeente) en de solidariteit; Algemeen Nederlands is dan de taal van de openbaarheid, van de schrijftaal, van school, rechtbank en wetenschap … kortom, van alle hogere maatschappelijk functies. Dialect en Algemeen Nederlands zijn geen vijanden van elkaar, maar kunnen naast elkaar bestaan - elk met hun eigen functie en situationele context. 

Dialectologie als wetenschap

De traditionele dialecten wekken vanaf het midden van de 19de eeuw de wetenschappelijke belangstelling - de historische taalkunde bepaalt dan nog het wetenschappelijke paradigma van de taalkunde in heel West-Europa. Dialectonderzoek is tot de jaren 70 van de vorige eeuw dus niet zomaar een taalkundige subdiscipline, maar staat - samen met de historische taalkunde - in het centrum van de taalkundige activiteiten van de meeste professoren Nederlandse Taalkunde in Gent en Leuven. Voor de Leuvense universiteit memoreren we figuren als Ludovic Grootaers (stichter van de Zuid-Nederlandse Dialectcentrale 1922-1956), Jan Pauwels en Jan Goossens. Voor de UGent hebben we het verderop over Jozef Vercoullie, Edgard Blancquaert, Willem Pée, Valère Vanacker, Johan Taeldeman, Magda Devos en Jacques Van Keymeulen.

Binnen de dialectologie kan men het taalsysteem van één enkel plaatselijk dialect beschrijven - de oudste studie gaat over Aalst en is van de hand van de Leuvense oriëntalist Ph. Colinet (1896)- net zoals men dat ook voor een cultuurtaal kan doen. Toch is gaandeweg vooral de dialectgeografie toonaangevend geworden. Dialecten zijn inderdaad per definitie geografisch gedifferentieerde taalsystemen en het vervaardigen en interpreteren van taalkaarten ligt dus voor de hand. Daartoe zijn wel reusachtige verzamelingen taalgegevens nodig, die alle bij de dialectsprekende bevolking opgevraagd moeten worden. Sommige projecten duurden daardoor soms tientallen jaren.

De dialectologie aan de UGent

In wat volgt, wordt de ontwikkelingsgang van de dialectologie aan de UGent beschreven. Van 1892 tot 2000 is élke professor Nederlandse Taalkunde aan de UGent een dialectoloog, en is ook assistent geweest van zijn voorganger. Daardoor is er lange en rijke traditie kunnen ontstaan, die hieronder in het kort wordt toegelicht. Daarbij valt het op dat de dialectologen tegelijk sterk ijverden voor het Algemeen Nederlands.

Jozef Vercoullie (1857-1937) 

In 1892 wordt Jozef Vercoullie hoogleraar aan de Gentse Universiteit en doceert Nederlandse taalkunde en vergelijkende grammatica. Hij is een groot voorvechter van het Algemeen Nederlands, wat niet belet dat hij een grote belangstelling heeft voor dialecten. Hij schrijft in 1885 de eerste wetenschappelijke studie over een zuidelijk Nederlandse dialectgroep, nl. het West-Vlaams. Die keuze hoeft niet te verwonderen, want Vercoullie is de zoon van een Oostendse kleermaker. De studie wordt gepubliceerd in het tijdschrift Onze Volkstaal II (uitgegeven door de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden). Vercoullie schrijft in 1925 ook het eerste wetenschappelijk verantwoorde etymologische woordenboek voor het Nederlands. Dat is tegenwoordig natuurlijk een verouderd werk, maar het is nog altijd belangrijk genoeg om opgenomen te worden op de website www.etymologiebank.nl.

Edgard Blancquaert (1894-1964)

Vercoullie gaat in 1927 met emeritaat en wordt opgevolgd door Edgard Blancquaert, die al sedert 1925 aan de UGent verbonden is. Blancquaert zet zich sterk in voor het Algemeen Nederlands en schrijft in 1934 de Practische Uitspraakleer, hét handboek voor de Vlamingen over de correcte uitspraak van het Nederlands. Het is niet overdreven om de manier waarop Vlamingen vandaag A.N. praten, de Blanquaertnorm te noemen. Blancquaert staat in 1949 ook mee aan de wieg van het toonaangevende tijdschrift Taal en Tongval, waar Nederlandse en Vlaamse dialectologen en tegenwoordig ook sociolinguïsten, samenwerken.

Als dialectoloog zal Blancquaert vooral herinnerd worden voor de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (de RND). Blancquaert heeft in Parijs les gevolgd bij de dialectoloog J. Gilliéron, de auteur van de Atlas Linguistique de France. De gegevens voor die atlas zijn in meetpunten in heel Frankrijk mondeling opgevraagd en terstond fonetisch opgetekend. Blanquaert wil iets soortgelijks doen, en stelt 141 zinnetjes op, waarin allerlei fonetische verschijnselen aan bod kwamen. Die zinnetjes worden dan in het dialect vertaald door goede dialectsprekers, en ter plaatse onmiddellijk fonetisch genoteerd door een fonetisch geschoolde onderzoeker. Het idee is om op basis van de gegevens taalkaarten te kunnen tekenen, vooral op het gebied van de fonetica.

Blancquaert begint in het begin van de jaren 20 van de vorige eeuw met zijn project in zijn geboortestreek: hij is afkomstig van Opdorp in Klein-Brabant. Gaandeweg echter slaagt hij erin om zijn collega's van andere universiteiten in Vlaanderen en Nederland warm te maken voor zijn project. Uiteindelijk resulteert de hele RND in 16 dikke boeken met fonetische transcripties voor 1956 gemeenten in het Nederlandse en Friese taalgebied. Het eerste RND-deel verscheen in 1925, het laatste in 1982. De RND-verzameling bevat meer dan een kwart miljoen dialectzinnetjes, en vormt de basis voor honderden dialectgeografische studies. Alle transcripties worden in 2017 ingescand en op een website geplaatst: www.dialectzinnen.ugent.be. De zinnetjes of delen ervan zijn op grote kaarten ingetekend. Ook die worden gedigitaliseerd en zijn beschikbaar op de kaartenbank van het Meertens Instituut in Amsterdam (zie http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/).

Willem Pée (1903-1986)

Blancquaert wordt in 1957 opgevolgd door Willem Pée aan wat toen is gaan heten: het Seminarie voor Nederlandse Taalkunde en Vlaamse Dialectologie. Hij is jarenlang voorzitter van de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, wat ook in zijn geval niet belet dat zijn wetenschappelijke belangstelling in eerste instantie naar de dialectologie uitgaat. Hij brengt ondermeer de RND-aflevering voor Frans- en West-Vlaanderen tot een goed einde, wat hem levenslang een grote belanstelling voor het Frans-Vlaams zou bezorgen. Hij neemt overigens de leiding van het hele RND-project van Blancquaert over.

De naam van Pée zal verbonden blijven aan het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (WVD), waarvoor hij in 1972 genoeg fondsen weet te verzamelen om Hugo Ryckeboer en Magda Devos - de eerste twee WVD-redacteurs - in dienst te nemen. De term Vlaams moet hier in dialectologische zin begrepen worden, d.i. een term voor de zuidwestelijke dialectgroep van het Nederlands, gesproken in Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen, d.i. grofweg het Nederlandstalige deel van het vroegere graafschap Vlaanderen.

Opzet en methode van het WVD worden geënt op die van de oudere projecten Woordenboek van de Brabantse Dialecten (WBD) en Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD), die vanaf de jaren 60 van start zijn gegaan aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, onder leiding van de bekende dialectoloog A. Weijnen. De lexicografische ideeën van Weijnen worden gebruikt voor de drie woordenboeken, die geografisch complementair en transnationaal zijn. Zijn opzet bestaat erin om de dialectwoordenschat thematisch op te vragen, en ook thematisch te publiceren binnen drie grote delen: I. Landbouwwoordenschat, II. Vakwoordenschat en III. Algemene Woordenschat. De dialectwoordenschat wordt verzameld door eigen enquêtes bij een netwerk van vrijwilligers; bij die eigen verzameling worden dan ook gepubliceerde en ongepubliceerde gegevens gevoegd van oudere woordenboeken of archiefmateriaal - niet in de laatste plaats het reusachtige dialectlexicografische archief dat door L. Grootaers aan de KULeuven was tot stand gebracht. Het WBD raakte voltooid in 2005 en het WLD in 2008. Aan het WVD wordt nog steeds gewerkt en heeft vandaag dus een geschiedenis van 47 jaar (www.e-wvd.be en www.wvd.ugent.be). Er moet met nadruk op gewezen worden dat de dialectlexicografie ook een belangrijke volkskundig-etnografische component heeft, aangezien samen met het woord ook de zaak zelf beschreven moet worden.

Valère Frits Vanacker (1921-1999)

Willem Pée gaat met emeritaat in 1971, en wordt opgevolgd door Valère Vanacker. Vanackers naam zal voorgoed verbonden blijven met de dialectsyntaxis, een taalkundige discipline die tot dan stiefmoederlijk is behandeld. Zijn licentiaatsverhandeling is de eerste syntactische studie van een zuidelijk dialect, meer bepaald dat van zijn geboorteplaats Aalst. Zijn doctoraat gaat over de syntaxis van het middeleeuwse Aalsters, waarvoor hij gerechtelijke verslagen van verhoren als bron gebruikt. Hij hoopt dat die teksten dichter bij de reële taal van het verleden staan dan bijvoorbeeld oorkonden.

Vanacker is ook, samen met Willem Pée, de initiatiefnemer van de verzameling dialectische geluidsopnames. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw worden voor ongeveer 550 gemeenten in heel Nederlandstalig België, Frans- en Zeeuws-Vlaanderen geluidsopnames gemaakt bij zorgvuldig uitgekozen dialectsprekers die aan allerlei criteria moeten voldoen zoals lage geletterdheid, relatief hoge ouderdom en honkvastheid. De meeste zegslieden zijn rond 1900 geboren, de oudste in 1871. Het blijkt nu dat de afdeling Nederlandse Taalkunde van UGent de grootste verzameling levensverhalen bezit van laaggeletterde Vlamingen. Niet enkel het dialectische, maar ook het etnologische belang van de geluidsopnames wordt steeds groter, naarmate de tijd vordert. De verzameling is volledig gedigitaliseerd, en is te beluisteren op www.dialectloket.be (knop Geluid - Stemmen uit het verleden). Tientallen vrijwilligers zijn in de weer (geweest) om de opnames inhoudelijk te ontsluiten via samenvattingen van de inhoud. De geluidsbestanden worden vanaf 2018 gaandeweg digitaal getranscribeerd, met dank aan prof. Anne Breitbarth van de sectie Duitse Taalkunde van UGent, die zich daarvoor erg inspant door het aanvragen van fondsen.

Johan Taeldeman (1943-2017)

Johan Taeldeman volgt Vanacker op in 1986. Met hem zal de dialectologie aan de UGent haar hoogtepunt beleven. Taeldeman is in eerste instantie een dialectfonoloog, maar begeeft zich ook op andere taalkundige terreinen, niet in de laatste plaats op het terrein van de sociolinguïstiek, waarbij hij het ontstaan van de zgn. tussentaal (= het taalcontinuüm tussen dialect en ‘Belgisch’ Nederlands) meermaals hartsgrondig betreurt. Hij is een zeer bevlogen lesgever, en heeft veel studenten aangezet tot een afstudeerscriptie in de dialectologie of de sociolinguïstiek.

Taeldeman is dé autoriteit van de Oost-Vlaamse dialectgroep en het Gents. Een zeer belangrijk resultaat van zijn wetenschappelijke inzet en zeer grote kennis is de Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (FAND), een grootscheeps project waarvoor hij samen met Jan Goossens van KULeuven de wetenschappelijke commentaren schrijft. De FAND is integraal gebaseerd op de enorme dataverzameling van het Goeman-Taeldeman-Van Reenenproject (GTRP, mondeling opgevraagde lijst van 1976 woorden en korte zinnetjes voor 622 plaatsen in het Nederlandse taalgebied), die samen met het Meertens Instituut in Amsterdam tot stand is gekomen en zou beschouwd kunnen worden als een soort herneming van het initiatief van Blancquaert. De dialectologie is nu ver genoeg gevorderd om met meer kennis van zaken fonologisch onderzoek te doen via beter gerichte enquêtes dan de zinnetjes van Blancquaert, die immers actief was bij het prille begin van het fonetische onderzoek van dialecten. Samen met Frans Hinskens ligt Taeldeman ook aan de basis van het deel over Dutch van de prestigieuze reeks Language and Space van de uitgeverij Mouton-De Gruyter.
  
Taeldeman krijgt er twee collega’s professoren bij: in 1994 Magda Devos en in 2000 Johan De Caluwe.  Met Johan De Caluwe komt de eerste professor Nederlandse Taalkunde in dienst wiens onderzoeksinteresses niet uitgaan naar dialectologie of historische taalkunde.

Magda Devos (1948 - )

Magda Devos wordt professor Nederlandse Taalkunde in 1994, maar is wel al actief aan de UGent sedert 1972 als co-redacteur van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (WVD), samen met Hugo Ryckeboer. Als promotor van het WVD is ze jarenlang de drijvende kracht achter dat project, bijgestaan door Hugo Ryckeboer, Jacques Van Keymeulen, Kristien Vander Sypt, Veronique De Tier, Roxane Vandenberghe, Tineke De Pauw en Liesbet Triest. Als syntactica is Magda ook nauw betrokken bij de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (SAND), net als FAND en MAND, een co-productie met het Meertensinstituut in Amsterdam. Magda Devos gelooft zeer sterk in de maatschappelijke functie van de academische wereld, wat zich vertaalt in talrijke lezingen over dialectologie en naamkunde voor allerlei verenigingen, zowel vóór als na haar emeritaat en in vulgariserende werken zoals de uitgebreide beschijving van het West-Vlaams.

Magda Devos poogt ook om aan de UGent de toponymie in leven te houden. De naamkunde is als wetenschappelijke discipline in heel het Nederlandse taalgebied verdwenen. Magda geeft jarenlang gastcolleges over toponymie en inspireert ook een aantal studenten tot toponymische scripties. Ze is ook actief in de Stichting Achiel Devos, waar ze meewerkt aan de reeks Meetjeslandse Toponiemen tot 1600. Magda Devos gaat in 2010 vervroegd met emeritaat. Ze wordt opgevolgd door professor Timothy Colleman, een wetenschapper die constructiegrammatica als onderzoeksfocus heeft.

Jacques Van Keymeulen (1952- )

Jacques Van Keymeulen is sedert 1980 als co-redacteur verbonden aan het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten. Hij is van 1985 tot 1991 tevens assistent Nederlandse taalkunde. In 1987 wordt hij ook historicus. Na het emeritaat van van Johan Taeldeman in 2004 wordt hij professor benoemd en neemt ondermeer het vak dialectologie over. In 2010 volgt hij Magda Devos op als promotor van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, waarvan de behandeling van de zogenaamde Algemene Woordenschat ondertussen vernieuwd is op basis van zijn proefschrift. In 2017 slaagt hij erin bij het Herculesfonds (ondergebracht bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen) een wetenschappelijk consortium op te richten en een belangrijke som te verwerven om de databases van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (Gent, 1972 - heden), het Woordenboek van de Brabantse Dialecten (Nijmegen/Leuven, 1960-2005) en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (Nijmegen/Leuven, 1960-2008) samen te voegen en tot één database te integreren in de Dictionary of the Southern Dutch Dialects (DSDD). Het resultaat van die samenvoeging met inbegrip van cartografische tools, zullen gehost worden door het Instituut voor de Nederlandse Taal in Leiden.

In het beleidsplan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte was oorspronkelijk voorzien dat Jacques Van Keymeulen bij zijn emeritaat niet opgevolgd zou worden. Mede daardoor ziet Van Keymeulen het als zijn taak om naast het proberen af te werken van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten de reusachtige verzamelingen dialectgegevens die door zijn voorgangers zijn verzameld te digitaliseren om ze op die manier van de vergetelheid te redden en ze beschikbaar te maken voor alle belangstellenden.

De digitaliseringsprojecten kunnen als volgt samengevat worden. Allereerst is er de website van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (www.wvd.ugent.be), waar onder andere een paar honderd blanco dialectvragenlijsten te vinden zijn, die gebruikt kunnen worden voor de samenstelling van een plaatselijk dialectwoordenboek. Het register van het woordenboek is te raadplegen op www.e-wvd.be. Een belangrijke website is www.dialectloket.be, waarin onder andere alle dialectische geluidsfragmenten ondergebracht zijn van het hierboven gemelde project van Vanacker. De website gaat overigens over variatielinguïstiek in het algemeen, met een focus op dialectologie, en is o.a. voor scholen bedoeld. De resultaten van het hoger vermelde project Blancquaert staan op www.dialectzinnen.ugent.be.

Jacques Van Keymeulen publiceert naast wetenschappelijke artikelen ook vele populariserende bijdragen en geeft talrijke lezingen voor allerlei culturele kringen.
Daarnaast wordt hij in 2007 voorzitter van een koepelvereniging van dialectorganisaties en dialectliefhebbers: Variaties vzw. Koepelorganisatie voor Dialecten en Oraal Erfgoed in Vlaanderen, die een 15-tal amateurverenigingen uit heel Vlaanderen samenbrengt (zie www.variaties.be). Het maatschappelijke draagvlak voor dialectologie en naamkunde is immers zeer groot, en het valt te hopen dat de (betere) heemkundige of culturele kringen die vroegere academische disciplines zullen voortzetten. Een goede begeleiding van hun activiteiten is daarbij gewenst. Een project van Variaties vzw is www.woordenbank.be, waar talrijke plaatselijke en regionale dialectwoordenboeken, gemaakt door dialectliefhebbers, worden samengebracht, en worden verrijkt tot een doorzoekbare databank.

Jacques Van Keymeulen gaat met emeritaat in 2018. Reeds in 2016 wordt Ulrike Vogl als professor aangesteld. Zij is van Oostenrijkse afkomst en doet ondermeer onderzoek naar meertaligheid en taalideologie. Hierdoor kan bij het emeritaat van Jacques Van Keymeulen het aantal professoren Nederlandse Taalkunde op drie behouden blijven.

Een toekomst voor de dialectologie aan de UGent?

Aan de UGent is er geen vak meer met dialectologie als leerinhoud, waarmee een traditie van meer dan een eeuw wordt afgesloten. De traditionele dialectologie wordt vervangen door de variatielinguïstiek, een zeer brede taalkundige discipline die zich bezighoudt met de zgn. heterogene dimensie van taal, vanuit het inzicht dat taal varieert op geografisch, sociaal, situationeel en etnisch gebied. Het is de co-variatie tussen de taal en de sociale parameters van de sprekers ervan waarnaar nu de aandacht uitgaat binnen de sociolinguïstiek. Ook de taalpychologie is een nieuw terrein met de studie van bijv. taalattitudes, taalideologieën en identiteitsconstructie via taal. Die nieuwe tendensen zijn merkbaar aan alle universiteiten en hogescholen en hebben o.a. de naamkunde en de traditionele dialectologie overal weggedrukt. Elke variatielinguïst kan zich eigenlijk ook dialectoloog noemen, maar dan 'in ruime zin'. 

Tegelijk is ook de traditionele filologie onder druk komen te staan. Er wordt uiteraard nog steeds diachroon taalonderzoek gedaan, d.i. het vergelijken van taalverschijnselen uit verschillende chronologische lagen, maar de tijd dat een historisch taalkundige over een middeleeuws perkament gebogen zat in een poging om het te begrijpen ligt achter ons. Taalkundigen die nog enig begrip hebben van de oudste perioden van de taalgeschiedenis zijn zeer zeldzaam geworden. De vakken over (vergelijkende) historische fonologie, een taaldiscipline die de basis vormt voor de etymologie, werden gereduceerd of helemaal afgeschaft.

Aan de basis van bovengemelde wetenschappelijke innovatie liggen een paar oorzaken. Op de eerste plaats zijn de traditionele dialecten zelf sterk op de terugweg. Ze worden in Vlaanderen afgelost door een regionaal geschakeerd continuüm van tussentalen, waardoor een interessant nieuw onderzoeksterrein ter beschikking is gekomen. Op de tweede plaats levert de talige kant van de globalisering nieuwe wetenschappelijke perspectieven: onderzoek naar meertaligheid, invloed van het Engels, taalideologie, identiteitsconstructie … Op de derde plaats eist de neoliberale koers die het hoger onderwijs nu vaart de snelle instrumentalisering van onderzoek: met de focus op hedendaagse taaltoestanden als gevolg. Op de vierde plaats is taalkundig onderzoek sterk theoretisch gericht, waardoor disciplines als dialectologie en en naamkunde, die een sterk descriptieve inslag hebben, minder worden gewaardeerd. Op de vijfde plaats heeft de moderne manier waarop wetenschappers worden geëvalueerd als gevolg dat onderzoek gericht wordt op datgene waarmee men kan scoren, liefst in het Engels in zo hoog mogelijk gerankte tijdschriften. Dialectologie en ook naamkunde zijn echter van nature vrij cultuurgebonden disciplines, waar in het Engels publiceren minder voor de hand ligt.

Het is echter mijn overtuiging dat de wetenschappelijke aandacht voor de traditionele dialecten op termijn opnieuw modieus zal worden. Ze zijn taalkundig gewoonweg té interessant en dank zij bovenvermelde professoren zijn zeer grote collecties tot stand gekomen, die nu gaandeweg via digitalisering beter beschikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Bovendien blijkt het maatschappelijk draagvlak voor de studie ervan steeds groter te worden.

 

Jacques Van Keymeulen
31 juli 2019
 
Hoe verwijs je naar dit artikel?
Van Keymeulen, Jacques. “Dialectologie aan de UGent. Een korte geschiedenis.” UGentMemorie. Laatst gewijzigd 14.08.2019. http://www.ugentmemorie.be/dossiers/dialectologie-aan-de-ugent-een-korte...

 

BIBLIOGRAFIE

Boberg, C. J. Nerbonne en D. Watt (red.) (2018), The Handbook of Dialectology. Oxford, Wiley Blackwell.
Breitbarth, A. , M. Farasyn, A. Ghyselen, L. Haegeman en J. Van Keymeulen (2020), Ge had dien e keer moeten en zien! Neue Erkenntnisse zum Gebrauch der Partikel en im Gesproken Corpus van de (Zuidelijk-)Nederlandse Dialecten. In: Speyer, A. en A. Balo (reds.), Syntax aus Saarbrücker Sicht 4 - Beiträge der SaRDiS-Tagung zur Dialektsyntax. In: Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik - Beihefte (ZDL-B), Stuttgart, Steiner-Verlag. (onder review).
Colinet, Ph. (1896), Het dialect van Aalst. Eene phonetisch-historische studie. In: Leuvensche Bijdragen 1. blz. 1-59, 99-206, 223-308.
Devos, M. en R. Vandekerckhove (2005), West-Vlaams.Tielt, Lanoo.
FAND = Goossens, J, J. Taeldeman en G. Verleyen (1998, deel I; 2000, deel II en III), Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten; C. Dewulf, J. Goossens & J. Taeldeman (2005, deel IV), Gent, Koninklijke Academie voor Taal en Letteren.
Goosens, J. (2008), Dialectgeografische grondslagen van een Nederlandse taalgeschiedenis. In: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie. blz. 33-258.
Goossens, J. en J. Van Keymeulen (2006), De geschiedenis van de Nederlandse dialectstudie. In: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 78. blz. 37-97.
Hinskens, F. en J. Taeldeman (reds.) (2013), Language and Space. An International Handbook of Linguistic Variation. Volume III Dutch. Berlin - New York, Mouton de Gruyter.
MAND = G. De Schutter, B. van den Berg, A. Goeman & T. de Jong, Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (Deel I). Meertens Instituut KNAW / KANTL. Amsterdam University Press, 2005.
SAND = Barbiers, S., H. Bennis, G. De Vogelaer, M. Devos en M. Van Der Ham (2005), Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten, Deel I. Asterdam University Press. Bennis, H, G. De Vogelaer, J. Van De Auwera en M. Van Der Ham (2008), Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten, Deel II. Amsterdam University Press.
Vanacker, F., 1948  Syntaxis van het Aalsters dialect. Michiels, Tongeren.
Van de Wijngaard, H. en R. Belemans (red.) (1997), Het dialectenboek 4. Nooit verloren werk. Terugblik op de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (1925 -1982). SND, Groesbeek.
Van Keymeulen, J. (1992), De algemene Woordenschat in de grote dialectwoordenboeken (WBD, WLD, WVD): een methodologische reflectie. [UGent, onuitgegeven proefschrift]
Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal. Den Haag / Gent.
WBD = Woordenboek van de Brabantse dialecten. Assen, 1967-.
WLD = Woordenboek van de Limburgse dialecten. Assen, 1983-.
WVD = Woordenboek van de Vlaamse dialekten. Tongeren, 1979-.

 

Deel deze pagina: